Photo credit: Internet Archive Book Images via Visualhunt.com / No known copyright restrictions

Ardea Linnaeus 1758

De Romeinen hadden voor ‘reiger’ ardea, volgens André 1967, gezien de teksten bij de Romeinen een algemene naam. Later wordt hij meestal óók zo gebruikt. Belon 1555 wijkt af, heeft hem alleen voor de blauwe reiger. In de huidige ornithologie is het ook een algemene naam, maar met in Europa alleen blauwe reiger en purperreiger in het genus.

De Romeinen dachten dat de naam te maken had met Latijn arduus: steil, hoog. Dat hij hoog vloog ... Deed hij dat, dan voorspelde hij het weer (“significat tempestatem”). In latere, serieuzere etymologieën, werd ardea verwant geacht aan Grieks erodios: reiger, Servo-Kroatisch róda: ooievaar, Zweeds årta: taling. De jongste etymologen twijfelen weer. Beekes 2010 schrijft over årta dat het ‘very doubtful’ is dat hij bij het rijtje hoort. De Vaan 2008 schrijft dat niet zeker is dat ardea en erodios bij elkaar horen. Voor ardea denkt hij aan een vóór-Indogermaanse naam. Beekes bij erodios: misschien vóór-Grieks?

Alleen Nielsen 1989 waagde zich aan een betekenis van de namen. Bij het door hem verwant geachte Deense erle, kwikstaart, in het bijzonder de witte, herleidt hij ze tot een Indogermaans *arôd-, met als betekenis: ‘een watervogel’. Later kwam die naam dan in allerlei varianten bij heel verschillende watervogels terecht (de witte kwik is dat ook wel). Reigers zijn natuurlijk watervogels. Maar de groep is erg breed, en ‘watervogel’ abstract, zodat het nog maar de vraag is of de namen onder één noemer te brengen zijn - wat Beekes en De Vaan op taalkundige gronden betwijfelen.

Ardea zou ook een klanknabootsing kunnen zijn, voor de rauwe roep van de blauwe reiger, zoals ook reiger dat is, zie bij het genus egretta.