Photo credit: Rainbirder via VisualHunt / CC BY-NC-SA

Bubulcus Bonaparte 1855

Bubulcus betekende bij de Romeinen veehoeder, ossendrijver. Het was een afleiding bij bubulus: ‘met betrekking tot het rund’ (Latijn bos was de os, het rund). De koereiger, bubulcus ibis, waarvoor Bonaparte het genus primair gaf, is een wat afwijkende reiger: hij zit bij voorkeur bij grazend vee - bij paarden, runderen, schapen (in andere gebieden bij wilde dieren). Ze schrikken insecten op, zijn hoofdvoedsel. De koereigers lopen met de dieren mee. Zitten soms ook op hun rug, voor de uitkijk of om er teken en vliegen te vangen.

Uit Savigny 1809 valt het waarschijnlijke traject van bubulcus te reconstrueren. Bij “Le héron garde-bœuf. Ardea bubulcus” (p.298) schrijft hij: Europeanen in Egypte noemden de koereiger met een Franse naam héron garde-bœuf, ‘reiger ossenhoeder’, omdat je ze meestal bij kuddes ziet; ook pikken ze in hun nek, om hen te dwingen te gaan lopen [wat de Fransen blijkbaar dachten], en onder hun poten vinden ze dan voedsel. De Egyptenaren noemen hem “abou-ghanam, le père aux troupeaux”, de vader van de kuddes (abou is vader). Het positieve ‘vader’ ontstond waarschijnlijk doordat de échte veehoeder de koereiger graag zag: hij begreep zijn functie voor dier en mens. En abou-ghanam inspireerde tot garde-bœuf, waarna men als vanzelf op bubulcus kwam.