Grote zilverreiger. Photo credit: watts_photos via VisualHunt / CC BY

Casmerodius Gloger 1842

Tot voor kort heette de grote zilverreiger egretta alba, in sommige boeken ardea alba, vroeger ook herodias alba. Svensson 2010 heeft casmerodius albus, anderen hebben opnieuw of nog steeds ardea alba.

Jobling 1991 ziet in casmerodius Grieks kasis: broer, zus, en Grieks erodios: reiger (waaruit ook herodias ontstond, voor erodios zelf zie bij ardea). Inhoudelijk is het vreemd: de vogel familie van zichzelf? Taalkundig is het ook vreemd: van kasis maak je geen casm-. Wember 2007 legt de naam uit met “Kadmos, (Kasmos), Cadmus = sagenhafter König von Theben, der in eine Schlange verwandelt wurde” (p.74) en dan zou het om de slangachtige hals gaan. Maar iedereen geeft Kadmos, niet Kasmos. En ook blauwe reiger en purperreiger hebben een slangachtige hals. Gloger trouwens heeft het alleen over dúnne halzen. Hij gaf het genus voor de twee zilverreigers.

Gloger geeft geen uitleg van de naam. Maar waar hij hem introduceert, staat wel: “Bei den herrlichen Silber- oder Schmuckreihern (Casmerodius) ist das ganze Gefieder schneeweiß” (p.412). Mogelijk verklapte hij zo de betekenis. Door de mooie sierveren werden zilverreigers in Duitsland schmuckreiher genoemd: smukreigers, sierreigers, beter misschien: pronkreigers. Schmuck is tooi, sieraad, en het Griekse woord daarvoor is kosmos (wat men beter zal kennen als ‘wereldorde’). Kosmos in deze betekenis werd in 1829 al door Kaup gebruikt in de genusnaam cosmonessa, voor onder andere de harlekijneend, histrionicus histrionicus (Grieks nessa is eend, en de harlekijneend is een ‘pronkvogel’, zie aldaar). Gloger maakte dan wel een fout: casmerodius voor cosmerodius. Ernst Mayr dacht blijkbaar ook zo: in 1941 verandert hij de naam in cosmerodius.

In het broedkleed zijn beide zilverreigers getooid met witte sierveren, waarvoor ze massaal gedood werden. Belon 1555 is de eerste die er iets over meldt: de sierveren van de kleine zilverreiger “sont venduës bien cheres es basefaus de Turquië”, ‘worden op de markten van Turkije duur verkocht’ (p.196), sultans en anderen hechtten er veel waarde aan. Buffon 1770-1783 schrijft dat ook Middeleeuwse ridders ze gebruikten, om er vederbossen van te maken. En dat dames ze graag op hun hoedjes hadden, aangezien de golvende opsmuk bijdroeg aan de gratie van hun bewegingen.