Piepers en leeuweriken verenigd. Tekening August Specht 1897. Photo credit: BioDivLibrary via Visual Hunt / CC BY

Anthus Bechstein 1805

Anthus is een latinisering van Grieks anthos. Bij Aristoteles: zo groot als een vink, mooi van kleur, leeft bij rivieren en moerassen, eet insecten, fourageert in gras, doet het gehinnik van het paard na, en probeert het van het weiland af te jagen - maar het paard jaagt de vógel weg. Pollard 1977 en Thompson 1936 zien er twee soorten in, doordat Aristoteles anthos op twee plaatsen had. De eerste zou de kneu zijn. De tweede de koereiger - maar deze komt in Griekenland nauwelijks voor, bovendien zet Aristoteles anthos, akanthis, aigithos bij elkaar en de laatste twee zijn kleine vogels, anthos dan waarschijnlijk ook. Het zal om één soort gaan.

Belon 1555 denkt dat anthos de groenling is, maar die past niet. Aldrovandi 1600 oppert de spipola, zie ook bij de waterpieper, anthus spinoletta: zijn beschrijving lijkt een waterpieper in het winterkleed. De graspieper kan ook: bij de geluiden kan men aan een paard denken. Maar bij piepers is de kleur een bezwaar, en bij de graspieper dat Aristoteles het over hinniken had. Evengoed trouwens vertaalt Pitiscus 1738 anthus met brieschvogel: “Een vogel, die ‘t gebriesch van een paard nabootst”.

De gele kwikstaart maakt méér kans: is mooi van kleur, broedt onder andere bij water en fourageert bij grazend vee (voor insecten). De ‘strijd’ met het paard is mogelijk als volgt te zien: soms pikt de gele kwikstaart stekende insecten van de huid van het vee (kan lijken op: jaagt het paard weg) en het vee zelf haalt vaak uít naar die insecten (kan lijken op: paard jaagt vogel weg). En het geluid? Arnott 2007 vindt het opvallend andere geluid van de in Griekenland levende ondersoort van de gele kwik (de balkankwikstaart) “not too distant from that of whinnying horses” (p.15). Ook past de waarschijnlijke betékenis van anthos (Grieks anthos: bloem, bloesem, ‘het ontspruitende groen’).

Gaza 1476 vertaalt anthos met Latijn florus: de bloemrijke. Gesner 1555 legt uit dat de naam te maken heeft met dat ‘mooi van kleur’ en dat anthos “quasi floridus” is, ‘dat is: de bloeiende’ (p.159). Coomans 1947 tot slot komt door ‘ontspruitend groen’ op de betekenis “gekleurd als bloeiend graan” (p.19). Hij noemt geen soort - Gesner ook niet - maar via de betekenis ‘geel’ kom je dan makkelijk bij de gele kwikstaart.

Met het nieuwe genus maakt Bechstein de piepers van de leeuweriken los. Tot dan had men de twee groepen bij elkaar, vaak in het genus alauda. Bechstein ziet de verschillen - en ziet daardoor ook dat de piepers dicht bij de kwikstaarten staan, wat mogelijk een rol speelde bij zijn keuze van anthus - waarbij, uitgaand van de graspieper, Duits wiesenpieper, het ‘grasland’ bij Aristoteles kan hebben meegespeeld.

-

Enkele andere algemene namen voor de piepers (de codes zie op Home):

(U) Engels titlark, opgetekend in 1667, mogelijk ouder dan pipit, de huidige Engelse naam voor de piepers. Lockwood 1984 denkt dat het om ‘kleine leeuwerik’ ging: tit kan ‘klein’ betekenen, en de bekendste piepers waren kleiner dan de bekendste leeuweriken (Middelengels tit: “a general term for any small creature”). De naam is uit de tijd dat men piepers en leeuweriken nog niet onderscheidde.

(G) Nederlands pieper, Duits pieper, Deens piber. Qua uiterlijk lijken piepers sterk op elkaar, nog meer dan leeuweriken, en als algemene naam had ‘bruintje’ kunnen ontstaan, voor beide groepen trouwens, maar in de geluiden is wél verschil, grofweg: leeuweriken zingen, piepers piepen (toen men de piepers nog niet als groep zag, had je: leeuweriken en piepleeuweriken, wat nog in onder andere Zweeds piplärka voor de piepers zit: piep-leeuwerik, terwijl de veldleeuwerik sånglärka heet). Het naamtype ‘pieper’ kan ontstaan zijn bij de graspieper, maar Albin 1731 heeft Engels pipit - “The Pippit or lesser Lark” (p.42) - bij wat wellicht de boompieper is, door Buffon 1770-1783 in ieder geval als zodanig opgevat: hij zet hem bij zijn alouette pipi, de boompieper. Sommigen zullen déze het best hebben gekend: vanwege de mooie zang had men ze in kooitjes. Andere algemene klanknamen zijn Pools świergotek, horend bij świergotać: sjilpen, piepen, Spaans bisbita, wellicht van oorsprong de graspieper, de bisbita común: gewone bisbita, en IJslands tittlingur, uit Oudnoords *tîtlingr, waarin volgens Lockwood 1984 tît (lange IE, vergelijk piepen) een klanknabootsing is, niet ‘klein’ betekent, zoals ook gedacht is, en in titlark van hogerop zit (-lingr is een achtervoegsel). Voor Russisch konjok zie bij de graspieper.