Photo credit: joseluisjaraorozco via Visualhunt / CC BY-NC

Pernis Cuvier 1817

Aristoteles had bij zijn middelgrote roofvogels de pernis. De naam, geen beschrijving. Bekend is alleen dat het vaker pternis was. Belon 1555 weet niet wat hij ermee moet, Gesner 1555 leest er Grieks perknos in, ‘de donkere’, maar dat was een soort bij Homerus, en ook die: niet goed te bepalen (Arnott 2007: mogelijk steenarend, keizerarend). Niemand ziet in pternis de wespendief.

De naam past mooi bij Grieks pternizo: schoppen, betekent dan stoter, een veel voorkomend naamtype bij roofvogels (ook stootvogels genoemd), maar de vraag is of het taalkundig kan - en vogelkundig was het dan geen naam voor de wespendief: hij ‘stoot’ niet. Arnott 2007 schrijft dat pternis ‘hiel(vogel)’ is, Grieks pterna: hiel, “but that yields no obvious clue to its identity”. Maar pterna was overdrachtelijk ook: de voet. En pternobates: hij die op zijn hakken loopt. Onder de middelgrote roofvogels is toevallig de wespendief de enige die veel op de grond te vinden is (zoekt er die wespen enzovoort, graaft ze zelfs uit, zie bij de soort). De kleinere en middelgrote roofvogels kende men vooral van hun acties in de lucht: mogelijk drukte hielvogel (voetvogel) de Griekse verbazing uit. Misschien waren ook de dikke schubben op hun voeten opgevallen. Tot slot: de wespendief loopt, in plaats van dat hij huppelt.

Maakte Cuvier met eenzelfde redenering pernis tot genus(naam) voor de wespendief? Maar het kan ook zijn dat hij gewoon een naam nodig had - en pernis was nog niet ‘weg’. Zijn ‘uitleg’: “Pernis ou pernès, dénomination d’une sorte d’oiseaux de proie, selon Aristote”, ‘naam van een roofvogel’ (I-322). Inderdaad, bij Aristoteles was er niet meer.