Photo credit: ponte1112 via Visualhunt.com / CC BY-NC-ND

Milvus Lacépède 1799

Milvus is Latijn milvus, ouder miluus, dríelettergrepig. Uit deze vorm ontstonden onder andere Frans milan en Spaans miloca voor de rode wouw. Van de soort geven de Romeinen geen goede beschrijving. Wel hadden ze miluus voor wat bij Aristoteles iktinos was. Aubert 1868 en Thompson 1936 schrijven dat op de Griekse Cycladen iktinos ‘nog steeds’ de zwarte wouw is. Arnott 2007: waarschijnlijk bedoelde men met iktinos beíde wouwen, maar de gegevens wijzen inderdaad vooral op de zwarte. Maar Latijns miluus zal de róde zijn geweest, Plinius namelijk wist dat miluus in de vlucht voortdurend met zijn staart draait: “iidem videntur artem gubernandi docuisse caudae flexibus, in caelo monstrante natura quod opus esset in profundo” (X-28) - hij lijkt ons via de heen en weer gaande bewegingen van de staart de stuurmanskunst te hebben onderwezen, natuur die in de lucht laat zien wat op zee nodig is: hoe je een schip stuurt. Maar gubernare, leidend tot gouverneur en government, was ook ‘iets’ besturen, en mogelijk bedoelde Plinius dan vooral: alsof ze de wereld de kunst van het bestúren onderwezen hebben, dat ze in de lucht lieten zien wat op áárde nodig was.

André 1967 citeert voor miluus twee etymologieën ‘die het overdenken waard zijn’ (de rest kon weg). De ene gaat uit van *meil-ewos, waarin *meilos: vlek, de naam dan voor de witte vleugelvensters van de rode wouw in de vlucht, de andere gaat uit van Indogermaans *mel-: bevlekken, waaruit diverse namen voor kleuren kwamen, Grieks melas: zwart, Latijn mulleus: rood, purper, Litouws mulvas: roodachtig, geelachtig. Ernout 1959 twijfelt aan deze etymologie, André ook, maar acht haar niet onmogelijk. En miluus zou dan een naam zijn voor het mooie rood van de rode wouw.

Gesner 1555 dacht heel anders: “Etliche vermeinen daß dieser Vogel den Lateinischen Nahmen von seiner Stimm bekommen habe” (Horst 1669 II-208). Isidorus schreef dat al. En drie eeuwen voor hem de Romeinse schrijver Festus, die er zelfs een werkwoord voor bedacht: jugere. Pitiscus 1738: “Dit word gezegt van den kiekendief, als hy zyn stem laat hooren” (kiekendief is wouw, hier de rode wouw). Geen van de schrijvers geeft er uitleg bij, maar miluus, spreek uit mie-loe-oes, zóu een klanknabootsing kunnen zijn, van het steeds herhaalde wie-oe van de rode wouw (waaruit mogelijk ook Oudhoogduits wîo, de voorloper van Nederlands wouw - maar deze namen worden door etymologen vaker als ‘jager’ of ‘bespieder’ uitgelegd, zie bij uria lomvia).

-

Enkele andere algemene namen voor de wouwen (de codes zie op Home):

(G) Engels kite, uit Oudengels cȳta (kuutà), waarvan men aanneemt dat het een klanknabootsing was - kite in de betekenis ‘vlieger’ is afgeleid van de vógel, het zweven. Lockwood 1984 denkt dat cȳta van oorsprong een naam voor de buizerd was, later overgegaan op de rode wouw. Hun roep is vergelijkbaar. Sommigen denken aan een gróep: kite, Duits kauz voor uilen, Nederlands koet voor de meerkoet, Limburgs keit voor diverse zangvogels, Frans chouette voor uilen, en zo nog meer. Als het een groep is, is de volgende vraag of het klanknabootsingen zijn, of dat ze afgeleid zijn van werkwoorden - dan betekenen ze roeper, schreeuwer. Kitson 1998 denkt het over cȳta: “The underlying sense is supposedly a crier and/or barker” (p.10).

(G) Fries glee, Engels glead, Oudengels glida, Zweeds glada, Oudnoords gleða: glijder. Hierbij ook Noors glente, Ouddeens glænte, gevormd bij de stam van Zweeds dialect glänta, Noors dialect gletta: glijden. De namen voor het zweven wat wouwen en kiekendieven doen (ook wel voor de buizerd gebruikt). Over de rode wouw staat in een Engels boek: “It seems to swim in the air, steering itself with its forked tail”. Vergelijk Plinius hierboven.