Photo credit: BioDivLibrary via VisualHunt.com / CC BY

Circus Lacépède 1799

Circus is een latinisering van Grieks kirkos, een naam bij onder andere Homerus en Aristoteles. Homerus geeft de vogel als symbool van de snelheid en als vijand van de duif en dan zou het havik of slechtvalk kunnen zijn. Bij Aristoteles is het een middelgrote roofvogel die op rotsen en gebouwen nestelt. Arnott 2007: en bij enkele Griekse dichters gaat het over ‘vanaf grote hoogte stootduiken op de prooi’. Sommigen vonden de soort niet te bepalen en er is zelfs gedacht dat het een fabelvogel was, maar al de gegevens van de Grieken, schrijft Arnott, waarschijnlijk terecht, “most perfectly fit the Peregrine Falcon”, de slechtvalk, falco peregrinus.

Enkele door oudere schrijvers geopperde etymologieën voor kirkos keren terug bij moderne auteurs. Zo denkt Gotch 1981 aan Grieks kirkos: ring, kring, voor het vliegen in cirkels (maar welke zou dan de soort zijn?). Cabard 1995 oppert Grieks kirko: in een ring sluiten, ‘boeien’, en dan is kirkos een naam voor met de klauwen prooi grijpen (maar vrijwel álle roofvogels doen dat). Chantraine 1968 noemt van deze twee alleen kirkos, met ‘niet onmogelijk’ erbij, maar denkt aan een klanknaam. Boisacq 1938 verbond al met Grieks kerkax, een roofvogel bij Hesychius, en met Grieks krex, zie bij de kwartelkoning, crex crex. Men veronderstelt voor al deze namen, en voor nog diverse andere, een klanknabootsend *kr- (daarvoor zie ook bij het genus corvus en bij anas querquedula). Diverse roofvogelsoorten komen dan in aanmerking, maar gezien het voorkomen in Griekenland misschien toch vooral havik en slechtvalk.

Lang geleden waren de gegevens minder duidelijk. Gesner 1555 durfde geen soort te noemen. Belon 1555 wel: hij zet de naam bij wat vrij zeker de bruine kiekendief is, circus aeruginosus, maar zonder uitleg (wat hij bij meer namen deed). Na hem volgt Aldrovandi 1599 dit idee, mogelijk opgelucht dát er een soort is genoemd. Buffon 1770-1783, net als Belon zonder uitleg, zet kirkos idem bij de bruine kiekendief. En op grond hiervan maakt hun landgenoot Lacépède er een génus voor de kiekendieven van.

-

Enkele andere algemene namen voor de kiekendieven (de codes zie op Home):

(G) Nederlands kiekendief, omdat hij kiekens pakt (kieken is gelijk aan kuiken). En dat doet hij bij de boer, en dan is het ‘stelen’: kippen waren belangrijk. Het is een naamtype dat als onder andere Duits hühnerdieb bij diverse roofvogels zit, vooral bij havik, buizerd, rode wouw, en kiekendieven. Aldrovandi 1599 had de Nederlandse naam al: bij milvus, wouw, heeft hij uit een Nederlandse bron: “een VVou & Kukendieff” (p.393). En kiekendief kan dan van oorsprong een naam voor de rode wouw zijn geweest. Waarschijnlijk kwam hij toen in Nederland voor, en hij kwam dicht bij de mensen, zie bij milvus milvus onder Frans écoufle. Buffon 1770-1783 schrijft: ‘de rode wouw gaat vooral op kuikens af’. Hij had ook een reputatie, Naumann 1820 schrijft: jong en oud kent hem “als einen berüchtigten Hühner- und Gänsedieb, und jedermann bemüht sich, ihn durch Lerm und Geschrei von dem jungen Federviehe abzuhalten” (p.337). Naumann bedoelde dus jónge vogels, maar kippen pakte hij soms ook. De rode wouw werd ervoor vervolgd.

(G) Engels harrier, ouder harrower, een afleiding bij to harrow: roven, plunderen. Het kon dan een naam voor vele roofvogels zijn, onduidelijk is waarom het een (algemene) naam voor de kiekendieven werd. Bij hen harroer voor de blauwe kiekendief, circus cyaneus, suggereert de tekst van Turner 1544 dat het al eerder dan 1544 een naam voor kiekendieven was (‘de mensen noemen hem zo’). Dat verschuift de vraag naar de tijd vóór 1544, maar over die tijd bestaan geen gegevens .. Ook een naam voor alle kiekendieven is Russisch loen’, waarschijnlijk gevormd bij loenit’: beroven, afranselen, een pak slaag geven, en loen’ is dan naar de betekenis gelijk aan harrier. Als een Russische uitdrukking is er: 'Sedoj kak loen’, Grijs als een kiekendief, gebruikt voor iemand die oud en grijs is.

(G) Fries glee, Engels glead, namen voor het ‘glijden’, zie bij milvus voor de wouwen. Ontbrekende naam: skydancer, of ballerina, voor de elegante en levendige balts van de meeste (mannetjes) kiekendieven, heel anders dan het glijden. Het spectaculaire ervan gaf Engels skydancing. Donald Watson, die veel baltsende kiekendieven tekende, schrijft tegelijkertijd: “I have never been able to convey in a drawing the sense of total abandon that this performance suggests” (‘In search of harriers’, 2010, p.49). In het grensgebied van Burkina Faso en Niger noemen herders de grauwe kiekendief ‘hij die vliegt zoals onze vrouwen dansen’ (het tijdschrift ‘Vogels’, 04/2014). De grauwe is minder een skydancer dan de andere kiekendieven: misschien bedoelen ze dan het zweven. Een langzame wals.