Photo credit: astazou via Visual Hunt / CC BY-NC-ND

Gyps Savigny 1809

Gyps is een latinisering van Grieks gups: gier. In de meeste passages over de gups had Homerus het óók over eten van aas, onder andere daaruit maakte men op dat men ‘gier’ bedoelde.

Gezien de gegevens over het vroegere voorkomen van gieren in Griekenland (Handrinos 1997) kon het een naam voor alle vier de Europese gieren zijn geweest, maar Aristoteles noemt er slechts twee gups: een kleine, witachtige - waarschijnlijk de aasgier - en een grote, grauwe. Thompson 1936 denkt dat dit de vale gier was, omdat dit altijd dé gier was. De monniksgier past ook.

Ook na de Grieken ziet men in gups meestal een algemene naam. Belon 1555: “Les Grecs exprimants un Vautour dient Gyps, et les Latins Vultur”, de Grieken zeiden gups tegen de gier, de Romeinen vultur (p.83). Buffon 1770-1783 wijkt af, zet gups bij de monniksgier, misschien door dat grauwe.

De naam zelf is onverklaard. Frisk 1960-1972 dacht dat het gu- van gups te verbinden was met een stam *geu-: krommen, gups de gekromde. De soms gekromde houding? Of de snavel: bij gieren zijn de klauwen stomper dan bij andere roofvogels. Maar álle roofvogels hebben een kromme snavel ... Frisk citeert ook nog een etymologie die uitging van Oudindisch yup-: opruimen, gups dan: vogel die kadavers opruimt. Bij gieren past dat natuurlijk mooi, maar Frisk noemt het taalkundig gezien ‘eigenzinnig’, bedoelde misschien ‘onzinnig’. En dat past weer bij Beekes 2010 die alleen het idee van *geu- de moeite van het vermelden waard vindt, maar deze etymologie tegelijkertijd “quite uncertain” vindt. Hij denkt dat gups een vóór-Grieks woord is en een etymologie is dan verder weg dan ooit.

-

Enkele andere algemene namen voor de gieren (de codes zie op Home):

(U) Turks akbaba: ‘witte vader’ (ak: wit, baba: vader). Wit suggereert dat het een naam voor de aasgier was, later algemeen geworden. Daarbij past ook dat de kop van de oudere aasgier een gerimpeld geel is, omlijst met een witte ‘haardos’: men vergeleek dan waarschijnlijk met de oude mannen in het dorp. Ook: de aasgier kwam vaak dicht bij de mensen, soms zelf ín het dorp, bovendien waardeerde men wat hij opruimde aan aas, het was kortom een vertrouwde verschijning (‘vadertje’).

(G) N gier, Duits geier. Men verbindt met gierig: gretig, inhalig, dus: de gulzige, de vraatzuchtige, mogelijk met negatieve bijbetekenis, alleen al omdat vaak véle bij een karkas neerstrijken (het werd een uitdrukking: ‘als gieren’ storten ze zich op je, altijd van ánderen gezegd - Duits idem: ‘wie die Geier’). De Nederlandse naam ongetwijfeld uit de Duitse: in het zuiden daar kende men wél gieren - en zeker de vale, die dat groepsgedrag sterk heeft. De naam is overigens beperkt tot deze twee talen.

(?) Latijn vultur, Isidorus circa 560-636: “a volatu tardo”, ‘vanwege de trage vlucht’, waarschijnlijk dacht hij aan hun cirkelen op de thermiek. Schnetz 1926: ‘vogel van de god Vel’ (een Etruskische god). André 1967: toen de Latijnen in Italië neerstreken, hadden ze voor de hen onbekende gieren geen naam, en hun vogelwichelaars namen misschien over wat de Etrusken hadden. De Vaan 2008 noemt het idee van Schnetz niet meer, wel Latijn vellere: trekken, rukken - maar met een taalkundig bezwaar: ‘het -ur is onverwacht’. Op zichzelf past vellere wel erg goed bij wat gieren bij een kadaver dóen ... Latijn vultur kreeg in het zuiden van Europa vele nazaten: Italiaans avoltoio, Frans vautour, enzovoort, ook het wat afwijkende Spaanse buitre.