8413110817_92633f9db3 Photo Credit: ajmatthehiddenhouse Flickr via Compfight cc

Podiceps Latham 1787

Podiceps is een gewijzigde versie van podicipes: aarspoot, vogel met de poten bij de aars (Latijn podex: aars, Latijn pes: voet, poot). De poten op die plaats maakt van futen krachtige zwemmers, maar onbeholpen lopers. Mogelijk noemde Van Cantimpré ±1240 het voor het éérst: onder mergus, duiker, heeft hij het over diverse vogels die “pedes habent in cauda”, de poten ‘in’ de staart.

Voor podiceps vergelijk Latijn biceps: ‘met twee hoofden’, -ceps een vorm bij caput: kop, hoofd, uiteinde. De naam zou dan aarskop betekenen, wat dat ook moge zijn. Coomans 1947 kiest voor de uitleg “vogel met den aars als lichaamseind” (p.95), staartloze vogel, wat op zichzelf bij futen past. Latham gaf geen uitleg bij podiceps. In de familienaam Podicipedidae staat het overigens goed.

Podicipes stond bij Willughby 1676. Van medewerker D. Brown ontvangt hij tekening en beschrijving van een fuut die hij opvoert onder podicipes cinereus: asgrijze aarspoot (dé fuut, winterkleed?). Vervolgens gebruikt hij de naam in het bijzonder voor de dodaars: podicipes minor, kleine aarspoot. En daar heeft hij Engels ars-foot, de naam waarop het waarschijnlijk allemaal teruggaat. Maar díe naam gaat terug op Nederlands aarsvoet (huidige schrijfwijze). De oudste optekening ervan is bij Gesner 1555: “Hollandi Arsevoet” (p.135). Gesner hééft hem voor de dodaars, kreeg blijkbaar informatie in die richting. En ook híj maakt er een ‘geleerde naam’ van: pugoskelis (Grieks puge: achterste, skelos: poot), en latiniseert die tot pygoscelis, tegenwoordig een genus voor enkele pinguïns, die de poten ... Niet uit te sluiten is dat deze ‘aarspoot’ van Gesner die van Brown/Willughby beïnvloedde.

In 1728, in aantekeningen die Linnaeus maakte over de colleges van zijn leermeester Olof Rudbeck, is podicipes ineens podiceps, al zag Linnaeus het misschien niet als een echte verandering, in de tekst namelijk heeft hij podicipes: “har fötterna i stjärten, som alla Podicipes”, ‘heeft de poten in de staart, zoals alle Podicipes’ (Gullander 1971 p.106). Men schrijft vaak dat podiceps een fout was, maar duidelijk is dat niet. Wel mag men aannemen dat Linnaeus zich niet realiseerde dat podiceps als aarskop kon worden gelezen.

Linnaeus heeft de naam hier niet voor de dodaars (Gullander: de kuifduiker). In 1731 gebruikt hij hem als genus voor de parelduiker - de futen heeft hij in colymbus. In 1758 heeft hij futen én duikers in colymbus - zie ook bij gavia - en podiceps is dan opnieuw een soortnaam: colymbus podiceps, tegenwoordig podilymbus podiceps, de dikbekfuut. De naam past bij alle duikers en futen.

-

Enkele andere algemene namen voor de Futen (de codes zie op Home):

(U) Duits lappentaucher, vanwege de tenen met zwemlappen, niet: met zwemvliezen. In Nederland werden ze daardoor ooit Zwemlobduikers genoemd.

(?) Engels grebe, uit Frans grèbe, 16e eeuw, mogelijk toen een klanknabootsende naam voor de kokmeeuw, later bij de fuut terechtgekomen.

(?) Russisch poganka, letterlijk vuilak, met de associaties ‘duivel’ en ‘onrein’ (persoonlijke mededeling Igor Lebedev), waarbij dan aan de ‘hoorns’ te denken valt: ook de duivel had hoorns (en het zwart-rood van de futen past dan ook wel, bij duivel en hel). In Noord-Amerika is er hell diver voor diverse soorten die snel en diep duiken. De Komi in Rusland (tegen de Oeral aan) hebben kul-utka voor een fuut, duiker, of duikeend - kul: duivel/watergeest, utka: eend. In Noord-Amerika is er het vergelijkbare spirit duck voor kuifduiker en brilduiker. Sommige duikende vogels gaven blijkbaar snel een associatie met duivel of watergeest, door hun gedrag (als een geest waren ze ‘zomaar’ weg, en weer terug), waarschijnlijk ook door de kleur (in Engeland werd de meerkoet in 1580 gewoonweg devil genoemd, in Duitsland was het wasserteufel). Kleur, duiken en bijgeloof zullen door elkaar gelopen hebben.