Photo credit: fveronesi1 via VisualHunt / CC BY-NC-SA

Otis Linnaeus 1758

Otis is Grieks otis, niet te verwarren met Grieks otos, een uil, zie bij asio otus voor de ransuil. Beide namen zijn gevormd bij Grieks ous: oor, en betekenen de geoorde. Bij otis zou het gaan om de snor van witte kinveren van mannetje grote trap, als waren het oren. Overtuigend is dit beeld alleen wanneer men uitgaat van de balts: het mannetje zet die veren aan weerszijden van de kop recht overeind, zodat hij met twee spitsen loopt. Daarin kan men oor of kuif zien (vergelijk de lange oorpluimen van de ransuil, als ze rechtop staan).

Bij de meeste Griekse schrijvers was otis vrij zeker de grote trap otis tarda (Arnott 2007), maar in een door Athenaeus geciteerde omschrijving gaat het om ‘zo groot als een grote haan’, en daarbij past de kleine trap, tetrax tetrax. Trappen záten er: over grote en kleine trap zijn er uit de 19e eeuw berichten over broeden in Griekenland - beide vogels broedden in een veel groter deel van Europa dan nu - en op enkele vazen uit de Griekse oudheid staat de grote trap en/of de kraagtrap (bij Frederik II ±1246 overigens zijn er de eerste kleurtekeningen van de grote trap, en is er ook een van de kleine).

Gesner 1555 vraagt zich af of hij otis bij de grote trap mag zetten, gezien ‘de meningsverschillen’, vooral over otis en otus. Belon 1555 - die ook de kleine heeft, én daarin een trap ziet - worstelt ook, maar ziet tegelijkertijd ‘dat door de oren sommige schrijvers grote trap [otis] en ooruil [otos] door elkaar haalden’ (waarschijnlijk ook wel door de namen zelf), en hij zet otis bij de grote trap, otus bij de ransuil - en via Aldrovandi 1600 en Ray 1694 komt otis in die betekenis bij Linnaeus, die er een genus van maakt - met daarin ook de kleine trap.