Photo credit: Internet Archive Book Images via Visual hunt / No known copyright restrictions

Accipiter Brisson 1760

Bij de Romeinen was accipiter een algemene naam voor kleine en middelgrote roofvogels. Bij latere ornithologen is het ook zo - hoewel sommigen er tegelijkertijd vooral de havik mee bedoelen, anderen havik en sperwer. Onder andere Plinius geeft dat algemene bij de Romeinen: “Accipitrum genera sedecim invenimus”, ‘we treffen zestien soorten accipiter aan’ (X-21), hoewel hij er minder dan tien met name noemt. In Griekenland had Aristoteles ook een algemene naam voor kleine en middelgrote roofvogels: Grieks hierax. Accipiter en hierax zijn als het ware synoniemen.

Over de etymologie van accipiter bestaan twee opvattingen. Van Veen 1997 denkt aan Latijn capere: pakken, grijpen (capere verwant met hebben - waarbij havik eventueel hoort, de twee namen dan verwant). Als variant heeft Jobling 1991 accipiter uit accipere: aannemen, ontvangen (vergelijk accepteren). Accipere is gevormd uit ad en capere. Gesner 1555 noemde dit idee al (“Accipiter avis rapax ab accipiendo nomen tulit”, p.3).

Op grond van Grieks oku-pteros (met snelle vleugels), oku-petes en oxu-petes (snel vliegend), en oxupteron voor enkele kleinere roofvogels, oppert André 1967 iets heel anders, een wortel *acu-: snel. Accipiter dan: die snel vliegt (wat Homerus al schreef: in de Ilias heeft hij het over “irex okupteros”). De Vaan 2008 gaat ook uit van acu-, en -piter is vleugel, vergelijk (oku)-pteros, en Sanskriet (āśu)-pátvan-: (snel) vliegend - beide van roofvogels gezegd - en accipiter is dan waarschijnlijk ‘snel-vleugel’, of ‘(vogel) die snel vliegt’. Dus: de snelle. Wel ontstond acc- onder invloed van accipere, zodat die grijper er toch ook enigszins zit.

Grieks hierax is ook als de snelle geïnterpreteerd, doordat men verbond met Grieks hieros: vlug. Beekes 2010 twijfelt, doordat irex ouder is, mogelijk door hieros hierax werd. Als taalkundige overeenkomst is er nog dat volgens Holub 1967 Russisch jastreb en andere Slavische namen (voor vooral de havik) verbasteringen zijn van een Indogermaans *okypet-ros: snel vliegende vogel. Vergelijk oku-petes.

Bedoeld was misschien niet alleen dat de vogel snel vliegt. Ook dat hij snel toeslaat. Accipiter werd mogelijk vooral gebruikt voor havik en sperwer: ze overrompelen hun prooi in een flits, vogels die gepakt worden weten nauwelijks wat er gebeurt. Hoewel, als dit klopt, de slechtvalk nog meer een kandidaat voor de naam is.

-

Enkele andere algemene namen voor de roofvogels (de codes zie op Home):

(G) Engels raptor, Frans rapace, beide: roofvogel, bird of prey, stootvogel (stoot zich op de prooi). Beide namen gaan terug op Latijn rapere: grijpen, in Duitsland ontstond greifvogel, en in de 19e eeuw was er de orde der Raptores (roofvogels en uilen). Voor kleine en middelgrote roofvogels ontstonden ook ándere algemene namen, zo Duits stößer: stoter, Nederlands klamper: grijper. En ‘valk’, ‘havik’, ‘arend’, ‘gier’ werden algemeen gebruikt, min of meer voor ‘roofvogel’: Engels blue hawk de slechtvalk, Duits waldgeier de buizerd, Zweeds sjöhök de visarend (‘meerhavik’), Duits lerchenfalke de sperwer, maar lerchenhabicht de torenvalk (lerche: leeuwerik). De benoemingen liepen wat door elkaar, mogelijk ook doordat het nogal eens moeilijk was de soorten te onderscheiden.

(V) Dagroofvogels, tegenover Nachtroofvogels voor de uilen, namen uit de tijd dat men roofvogels en uilen nog bij elkaar zette. Linnaeus 1758 had beide onder de Accipitres, in de loop van de 19e eeuw geeft men de uilen een eigen plaats. De (dag)roofvogels vallen uiteen in twee orden: Falconiformes (Valken) en Accipitriformes (alle andere). Het jongste onderzoek echter zet ook de Valken apart en nu zijn alleen nog de Accipitriformes de Roofvogels. Voor velen horen de twee orden waarschijnlijk nog bij elkaar.