9311065159_e67f5a943b Photo Credit: Michele Lamberti Flickr via Compfight cc

Burhinus Illiger 1811

Bu-rhinus is een gelatiniseerde samenstelling van Grieks bous: rund (os of koe) en Grieks rhis: de neus (tweede naamval rhinos). Sommigen namen die neus letterlijk, dachten dat Illiger de neusgaten bedoelde (van de griel, die tegenwoordig burhinus oedicnemus heet) en dat ‘rund’ voor groot stond. Hij zou dan 'vogel met de grote neusgaten' hebben bedoeld en misschien dacht hij ook wel aan de ‘stierekop’ van de griel. De neus legt hij niet uit, maar hij bedoelde inderdaad groot, bous namelijk legt hij uit met “h. l. grandis”: met bous bedoel ik hier [hoc loco] Latijn grandis: groot (daarna geeft hij rhin: naast rhis werd soms rhin gebruikt).

De griel hééft grote neusgaten, maar Illiger bedóelde niet de griel: die had hij in het genus charadrius.

Bij burhinus schrijft Illiger: ‘Ik denk dat de vogel een eigen genus vormt, maar de beschrijving ervan is gebrekkig’. Het was erger: de vogel klópte niet. Illiger baseert zich voor burhinus op charadrius magnirostris van Latham 1802, een Australische soort waarvoor Latham een Engels great-billed plover bedacht, magnirostris was zijn vertaling van dat ‘groot-gesnavelde’, burhinus waarschijnlijk Illigers vertaling ervan - en grootneus is dan: grootsnavel. Latham: “bill black, stout, and very broad” (p.319). Illiger heeft daardoor: “crassum, latum, depressum”, ‘dik, breed, neergedrukt’ (p.250) en als Duitse naam voor het genus geeft hij flachschnabel. Tegenwoordig bestaat er esacus magnirostris, een griel van Australië met een enorme snavel. Sommigen dachten dat Latham díe bedoelde, tot de Engelse ornitholoog Hugh Strickland tekeningen zag die Thomas Watling van enkele Australische soorten had gemaakt (Latham had zich daarop gebaseerd, niet op een echte vogel). De tekening waar het om ging, was wat nu burhinus grallarius is, een griel met een doorsnee snavel. Strickland, in ‘The Annals and Magazine of Natural History’ (deel XI, 1843, p.337-338): “The artist who drew the bird which Latham named Charadrius magnirostris has represented with considerable exactness the plumage of Oedicnemus grallarius, but by throwing too strong a shade into the nasal groove [de neusgaten, maar Latham beschreef ze niet en Illiger wist het daardoor niet] he led Latham to describe the beak as ‘very broad, resembling the Tody genus” (de todies of platsnavels). Illiger: en “ideo simile est rostro Cancromatis”, en hij is ‘daarom (ook) gelijk aan de snavel van cancroma', een genus waarbij hij cochlearius cochlearius als zijn ‘type’ heeft, een reiger met van bovenaf gezien een enorme en brede snavel. Zijn idee van grootneus was geboren. Een snavel zo groot als de neus van een koe.

Maar burhinus was hierdoor een ‘leeg’ genus, een genus zonder soort, want de snavel waar Latham en Illiger naar verwezen bestond bij esacus magnirostris, maar die stond niet op de tekening.

En de griel? Lang zat hij in het genus oedicnemus van Temminck 1815, als oedicnemus crepitans, maar om redenen van systematiek werd dit genus vervangen door het oudere burhinus (‘The Bulletin of Zoological Nomenclature’, deel IX, 1952-1956, p.86). Toevallig paste het, qua naam: de griel ís een grootsnavel.