De griel. Photo credit: BioDivLibrary on Visual Hunt / CC BY-NC-SA

Charadrius Linnaeus 1758

Aristoteles kende een vogel charadrios: leeft aan de waterkant, is alleen in de nacht actief, nestelt tussen rotsen en in holten en kloven, kleur en stem zijn onbeduidend. Grieks charadra: kloof, ravijn, bergstroom, rivierbedding.

Men heeft aan het stormvogeltje gedacht. Vaker aan de griel, ook door het beroemde Griekse verhaal dat de vogel de geelzucht genas wanneer je naar hem keek, vergelijk bij de spotvogel hetzelfde verhaal over de ikteros, waarin Plinius de wielewaal zag. Aristoteles schreef alleen niets over geel of geelzucht.

Gesner 1555 maakt er toch de griel van. ‘Door het vele geel lijkt het alsof hij de geelzucht heeft’. “Hic igitur, nisi fallor, charadrius Aristotelis fuerit”, ‘En als ik me niet vergis, was deze dan de charadrios van Aristoteles’ (p.246); ook geeft hij het verhaal van de vogel die de geelzucht zou genezen. Arnott 2007 denkt dat Gesner gelijk had. Hij lijkt te bedoelen: door het vele geel, maar ook door het grote/gele oog - de lijder aan geelzucht moest naar het oog kíjken. Mogelijk begón het verhaal dan bij de griel - indien niet, dan bij de wielewaal, zie bij hippolais icterina, de spotvogel.

In de Middeleeuwen is de charadrius soms geel, dan wit, soms een concrete vogel, dan weer de suggestie van een genezende Christus in de gedaante van een vogel. Het is een tijd waarin er tegen ziekten weinig te beginnen valt, waarin bijgeloof dus steun is (maar realisme niet afwezig: wendde de vogel de blik af, dan stierf de patiënt). Ná de Middeleeuwen wordt het weer vooral een vogel. Bij Gesner dus de griel. Bij de spotvogel staan nog andere soorten.

Door Aldrovandi 1603 komt de naam bij de kleine plevier. Er is gedacht dat ook hierbij de geelzucht een rol speelde - de gele oogring in het zomerkleed - maar voor Aldrovandi was het dat de kleine plevier “hiatus riparum versari soleat”, ‘in rivierkloven pleegt voor te komen’ (p.536). Gesner liet zich leiden door de kleur, Aldrovandi laat zich leiden door de naam - zie ook bij charadrius hiaticula voor de bontbekplevier. Gesner baseert zich op Aristoteles, Aldrovandi op Aristophanes. Deze schreef dat de charadrios een vogel van rivieroevers was. Handrinos 1997 over Griekenland: de kleine plevier broedt “from coastal wetlands to mountain river valleys” (p.163). Het kon dus passen, wat Aldrovandi dacht. Alleen is de kleine plevier geen vogel van de nacht, en kleur en stem zijn niet onbeduidend.

Linnaeus maakt van charadrius een genus, elf soorten, onder andere de twee die tot dan charadrius werden genoemd: griel en bontbekplevier (deze figurerend voor de kleine plevier, zie charadrius dubius). Tegenwoordig zitten in Europa in het bijzonder de drie pleviertjes in het genus, de soort(en) waarbij Aldrovandi de naam had neergezet. Maar voor de oude Grieken was de charadrios mogelijk de griel.