Calidris alba. Photo credit: j van cise photos via VisualHunt / CC BY

Calidris Merrem 1804

Aristoteles had een vogel kalidris, ook geschreven als skalidris, en in manuscripten nog méér variaties. Hij houdt zich op bij water, is geheel asgrijs, maar heeft ook iets bonts (poikilían echei). Voor determinatie is dat niet veel, en met bont kun je alle kanten op. Sommigen doen hierdoor niet eens een voorstel.

Gezien de context waarin Aristoteles de vogel heeft, zou het een kleine kunnen zijn (de witte kwikstaart dan). Zeker is dit niet, zodat ook aan steltlopers is gedacht - door de witte onderkant zouden meeuwen en sterns moeten afvallen, en voor de blauwe reiger had Aristoteles erodios pellos, zie bij ardea cinerea. Belon 1555: het was de zwarte ruiter winterkleed. Arnott 2007 noemt elf steltlopers in winterkleed die het zouden kunnen zijn.

De etymologie helpt niet: er is er geen. En Beekes 2010 schrijft dat de naam vóór-Grieks is. Chantraine 1968 deed nog een poging het binnen het Grieks te houden, met vraagteken wel: moeten we skaludris schrijven? Waarschijnlijk bedoelde hij skal-udris, zoiets als waterstoter, Grieks hudor: water, en skaleuo: stuk stoten, oprakelen (skal-eus was de tuinman). De witte kwikstaart valt dan af.

We hebben, als deze etymologie klopt: een vogel die in water naar voedsel stoot, geheel asgrijs is maar met iets bonts, in Griekenland. Aan dit signalement voldoen heel wat steltlopers in de winter, zeker wanneer met ‘geheel asgrijs’ toch vooral de bovenkant was bedoeld. De tuinman spelen doen ook vele (sterns echter niet). Wanneer ‘bont’ als ‘gespikkeld’ moet worden opgevat, worden het er minder: kemphaan, bosruiter, groenpootruiter, zwarte ruiter (de tureluur bróedt in Griekenland, zal het daardoor niet zijn). Maar bijna alles bij deze naam is speculatief. Als de etymologie klopt, is wel één ding duidelijk: dat de naam terecht bij de steltlopers zit. Misschien zelfs terecht bij de strandlopers.

-

Enkele andere algemene namen voor de Calidris-soorten (de codes zie op Home):

(U) Engels en Nederlands stint, gebruikt voor diverse kleine steltlopers, vooral strandlopers. Taalkundigen denken aan ‘kort’/‘stomp’ als betekenis, vergelijk Oud-Zweeds stunter: kort, of Zweeds dialect stinta: ‘nog niet volwassen meisje’ (Rietz 1862-1867, “Svenskt Dialektlexikon”, met nog méér voorbeelden, in Engels en Nederlands komt het nog maar weinig voor). Bij vogels dan ‘de kleine’ of ‘de gedrongene’. Beide passen.

(V) N strandloper, in de huidige systematiek de naam voor de Calidris-soorten, zoals ook Duits strandläufer dat is, maar zeker deze werd vroeger ook voor andere steltlopers gebruikt, vooral voor ruiters. Martens 1675 zegt p.52 over een vogel van Spitsbergen, mogelijk de bontbekplevier: “Die Schnepfe so auch Strandläuffer genand wird (weil er am Strande läufft)”. In de Nederlandse vertaling, Martens 1710: strand-loper. Omdat het vooral om kustvogels gaat, was Noord-Duits strandlöper misschien het begin. Engelsen en Amerikanen hebben sandpiper als een algemene naam: zandfluiter, begonnen als naam voor de oeverloper. Spanje heeft voor de strandlopers correlimos: slijkloper (correr: rennen, limo: slijk, vergelijk het genus limosa). En zo zijn er in allerlei talen nog vele meer met zand, strand, of slijk, ook voor de drie pleviertjes.

(?) Erolia, een genus van Vieillot 1816, de strandlopers worden tegenwoordig soms Eroliinae genoemd. Er is geen betekenis van te vinden, het zal een anagram zijn van Grieks elorios (helorios?), een naam waarvan later is gedacht dat het misschien erodios had moeten zijn: reiger, zie bij het genus ardea (Vieillot heeft elorios wél bewaard in tringa eloriodes voor de breedbekstrandloper, eloriodes: 'op de elorios lijkend'). Belon 1555 zette de naam bij de wulp: ‘elorios lijkt op corlieu [de wulp] en dat is een klanknabootsing, en daarom was elorios de wulp’. Krombekstrandloper en breedbekstrandloper zijn door hun lichtgekromde snavels met de wulp vergeleken, en zo dacht Vieillot misschien dat elorios hier bruikbaar was. Arnott 2007 onder helorios: bij de Grieken was het misschien de kluut.