Steenloper. Photo credit: Mick Sway via Visual hunt / CC BY-ND

Arenaria Brisson 1760

Arenaria betekent zandvogel (Latijn arena: zand). De naam werd gegeven voor de drieteenstrandloper, calidris alba, zie aldaar. Alhier, bij de steenloper, past hij niet goed. De drieteenstrandloper is buiten het broedseizoen vooral op zandstranden te vinden, de steenloper óók bij de zee, maar zoals steenloper al zegt, op strekdammen, havenhoofden, enzovoort, weinig op zandstranden (en daarop broeden doet hij helemaal niet).

Opvallend is dat Brisson bij de drieteenstrandloper arenaria nóemt, maar dat hij er ook een steenloper-genus van maakt - zonder uitleg. Soms kwam het tot zoiets doordat een eerdere schrijver een fout maakte, een naam verkeerd neerzette. Maar bij de eerdere schrijvers die Brisson bij de steenloper citeert, is er geen die arenaria heeft. Ja, Klein 1750, maar niet echt. In zijn genus gavia heeft hij een ‘soort’ waarbij hij drie soorten oppert: is het “Pluvialis Arenaria Nostra Raji” (p.21), dat wil zeggen de arenaria van Willughby en Ray (de drieteenstrandloper), ‘of is het de turnstone van Willughby en Ray?’ (de steenloper), ‘of de cinclus van Turner 1544?’ (waarschijnlijk de oeverloper). Daarna gaat hij door met de stéénloper, zoals beschreven door Catesby 1731-1743, die hem net als Willughby 1676 turnstone noemt. Dacht Brisson daardoor dat die driesoortige de steenloper was en was arenaria dan beschikbaar om een steenloper-genusnaam van te maken? Maar hij wíst dat arenaria de drieteenstrandloper was ...

Misschien dacht hij dat alle drie de vogels wel op zandstranden zouden voorkomen, wat meer voor de hand lag dan op steenstranden, en hij zocht nog een genusnaam. Of hij dacht over alleen de steenloper dat het een zandvogel was: over de biotoop was tot dan weinig geschreven, vooral was er de opmerking van Willughby dat hij veel aan Britse kusten te zien was. Brisson heeft daardoor: “On le trouve sur les bords de la mer” (V-136 en V-140). Bij de drieteenstrandloper nóemt hij het zand: “Elles se tiennent sur les sables [de zandgronden] des bords de la mer” (V-240). Bij de steenloper moet hij het er dan zelf bij hebben gedacht.