Scolopax minor, american woodcock, Thomas Doughty. Photo credit: BioDivLibrary via Visualhunt / CC BY

Scolopax Linnaeus 1758

Voor waarschijnlijk de houtsnip had Aristoteles skolopax en askalopas. Men neemt aan dat het één naam is, bij Grieks skolops: paal, ook: paal om te spietsen, de naam dan voor de lange spitse snavel - maar Beekes 2010 denkt aan ‘volksetymologie’ en schrijft dat de naam vóór-Grieks kan zijn. Over de askalopas zegt Aristoteles: zo groot als een kip, het kleed als de attagas (zwarte frankolijn of een andere hoender - ‘bruin gevlekt’ is dan bedoeld), lange snavel, wordt in tuinen met netten gevangen (minder begrijpelijk: loopt snel, wordt makkelijk tam). Over de skolopax schrijft hij: leeft net als de kwartel en de leeuwerik op de grond, zit nooit op een tak.

Er is ook gedacht aan de wulp, vooral door ‘de grootte van een kip’. Maar bij de snavel verwacht je dan ‘lang en krom’, en de wulp komt niet in tuinen voor, ook niet in Griekenland. Handrinos 1997 geeft voor de houtsnip echter: “at times can be seen in orchards and rural gardens” (in Griekenland). Maar de houtsnip zo groot als een kip? Buffon 1770-1783: misschien waren de kippen in het oude Griekenland kleiner.

Als de ornithologie tussen 1500 en 1600 tot bloei komt en men de soorten bij Aristoteles probeert te vast te stellen, komt men voor de skolopax idem op de houtsnip (Turner 1544, Gesner 1555, Belon 1555, Aldrovandi 1603). Later promoveert Linnaeus scolopax tot een genus voor een deel van de steltlopers, en tegenwoordig heb je de Scolopacidae, de grootste familie bij de steltlopers.

Gaza 1476, de vertaler van Aristoteles, vertaalt skolopax met gallinago, nu de watersnip. Hoe de naam daar kwam, zie bij gallinago gallinago.