Photo credit: Lip Kee via Visual hunt / CC BY-SA

Actitis Illiger 1811

Actitis was volgens Illiger zelf een latinisering van Grieks aktites: kustbewoner, een vorm bij Grieks akte: kaap, landtong, ook wel kust, soms rivieroever. Wember 2007 oppert Latijn actitare: iets dikwijls doen, staart en achterlijf op en neer bewegen, maar je verwacht dan actitator (vergelijk agitator), en ‘iets dikwijls doen’ is een vreemde aanduiding voor zulk concreet gedrag (je verwacht ‘wipper’, niet het abstracte ‘herhaler’).

Illiger gééft de naam voor grutto, tureluur, kemphaan en oeverloper, maar later wijst men de oeverloper als het ‘type’ van het genus aan, wat hij dus niet bedoelde. Bij de oeverloper past oeverbewoner overigens beter dan kustbewoner: broedend is hij een vogel van oevers. Trekkend en overwinterend komt hij soms wel dicht bij de zee, maar zit ook dan vooral op oevers. In Noorwegen heeft men strandsnipe, wat verwarrend lijkt, maar Noors strand betekent óók: rivieroever.

Belon 1555 hád hem vrij zeker, was dan de eerste. Hij heeft hem onder de Franse naam alouëtte de mer: zééleeuwerik. Híer is de uitleg dat de vogel gevonden wordt op moerassige plaatsen ‘bij de zee’. Mogelijk verkocht men ze voor Franse liefhebbers van leeuwerik onder het culinair hoopgevende zeeleeuwerik, een naam die later als alouette de mer, zeeleeuwerik, sea lark bij diverse andere steltlopers terechtkomt.

Een ander soort verwarring bij Coomans 1947: “Toevallig [is actitis] ook een klanknabootsend woord naar den drie-syllabigen roep: ‘Ac-ti-tis’” (p.112). Maar niemand bedoelde de naam zo, en zeker Illiger niet. Wel heeft de oeverloper een opvallend twíe-wie-wie. In Lapland is het mooie skillili daarvoor een naam.