Alauda arvensis. Photo credit: Smudge 9000 on VisualHunt.com / CC BY-SA

Alauda Linnaeus 1758

Latijn alauda is van oorsprong een Keltische naam, een Gallische, uit het land ‘voorbij de Alpen’, van Rome uit gezien. Plinius schrijft dat de naam gelijk is aan galerita van de Romeinen, primair een naam voor de kuifleeuwerik, misschien ook voor de veldleeuwerik, zie bij het genus galerida. André 1967: maar aan de Italiaanse kant van de Alpen zat de naam ook, gezien de vele afstammelingen ervan in de Po-vlakte. Italiaans allodola, leeuwerik, staat nog dicht bij alauda. Frans alouette, leeuwerik, komt er ook uit voort.

Bij alauda, allodola, alouette is soms verwantschap verondersteld met lark, lerche, leeuwerik. De oernaam zou een klanknaam zijn. Taalkundig echter waren er problemen, onder andere door de begin-A van alauda. Schrijver 1997 lost dit op door er een vóór-Indogermaanse naam van te maken, alauda dan uit a-laud- (zie ook turdus merula, daar een zelfde begin-A). Kroonen 2013, hierop voortbordurend: een pre-Keltisch *alauz- zou dan in die taal afgewisseld hebben met een pre-Germaans *laiwaz.

Van woorden in voor-Indogermaanse (niet-opgetekende) talen is een betekenis vrijwel nooit te geven, maar merula kan een uitzondering zijn, en ook bij alauda zonder begin-A is misschien te denken aan een klanknabootsend werkwoord, iets als ‘laiwen’. La- en lai- maakt men met de tong tegen het verhemelte aan: bij een ander volk zal dat ook zo zijn geweest, vergelijk het lalala van jonge kinderen. Maar speculatief is dit natuurlijk, zoals ook bij merula.

In oudere pogingen tot etymologie kwam men meestal ook op ‘klanknaam’. Er is gedacht aan Grieks laiein: klinken, aan de betekenis ‘grote zangeres’, en aan een wortel *lod-: klinken. Het kon dan om een klanknabootsing gaan, of om zanger, babbelaar, jubelaar. Voor kuifleeuwerik en veldleeuwerik is een ooit in leeuwerik verondersteld ‘laiw’ geen goede klanknabootsing (Italiaans chiruli voor de veldleeuwerik is dat wel) en ‘zanger’ maakte dan méér kans, zeker bij de veldleeuwerik. Het idee van een voor-Indogermaans klanknabootsend werkwoord past hierbij natuurlijk ook.

Toen men etymologisch nog weinig onderlegd was, maar wel gelovig, dachten sommigen dat de alauda, hier de veldleeuwerik, ten hemel steeg om de lof des Heren te zingen, gezien Latijn laudare: loven, prijzen. Misschien drukte dit idee ook de verwondering uit over een vogel die zo tegen de hemel aan stond te zingen.

Belon 1555 en Gesner 1555 hebben alauda voor al de leeuweriken die ze kennen, de naam is bij hen nóg algemener dan bij de Romeinen. Dit zet zich door tot aan Linnaeus, maar onder alauda heeft hij óók nog de piepers, zie bij het genus anthus het splitsen van deze groepen. Van de Europese leeuweriken zit inmiddels alleen nog de veldleeuwerik in alauda. Misschien wel zoals het hoort.