Larus canus. Photo credit: patries71 via Visualhunt / CC BY-NC-ND

Larus Linnaeus 1758

Larus is een latinisering van Grieks laros, een naam die bij diverse Griekse schrijvers stond. De meeste etymologen denken dat het een klanknaam is. Nielsen 1989 schrijft bij Deens lom, een naam voor de duikers in het genus gavia: de naam hoort, net als Grieks laros voor de meeuwen, en Oudnoords voor de goudplevier, pluvialis apricaria, bij de Indogermaanse klankwortel *lá-, *lé-, waaruit ook Latijn lamenta voortkwam, wat gejammer betekende (vergelijk lamenteren). De Vaan 2008 herleidt lamenta tot een werkwoord *lá(-je)-: jammeren, eenzelfde afleiding dus. En de namen betekenen dan roeper, schreeuwer, jammeraar.

Bij meeuwen past dit. Maar sterns zijn ook genoemd. Bij Aristoteles ging het bij laros om watervogels die op rotsen twee à drie eieren uitbroeden en daarbij vijandig tegen elkaar zijn en ook tegen andere vogels. Gezien rotsen is van de sterns de visdief een kandidaat, maar juist in Griekenland broedt hij daarop niet (Handrinos 1997). Van de meeuwen passen audouins (zit alleen op Griekse eílanden), en de geelpootmeeuw (is in Griekenland de meest voorkomende broedende meeuw). Dionysius schreef: ze komen graag bij vissersboten en krijgen dan soms vis; ooit waren het mensen, ze vonden de visvangst uit. Hij kende kleine witte ('als duiven'; dwergmeeuw winter? visdief?), grotere en sterkere (de geelpootmeeuw?), en nóg grotere, met zwarte vleugeltoppen en een donkere nek, 'alle andere meeuwen eerbiedigen deze' (de reuzenzwartkopmeeuw? Arnott 2007: mogelijk kende hij die van reizigers).

Gezien deze gegevens lijkt laros een algemene naam voor meeuwen te zijn geweest, maar in het bijzonder waarschijnlijk een naam voor de geelpootmeeuw, larus michahellis, ook al omdat hij zo goed lamenteren kan (maar tegelijk kán hij ook gebruikt zijn voor sterns, doordat men meeuwen en sterns als groepen wellicht niet onderscheidde). Een passage bij Homerus, de oudste passage waarin laros voorkomt, suggereert ook meeuw: hij ‘snelde over de golven als een laros die op de woeste zee jacht maakt op vis’ (de Odyssee). Misschien was ook dit de geelpootmeeuw. En aan wal, in Griekse havens, zal het geluid van de geelpootmeeuw altijd opgevallen zijn, zoals dat van de zilvermeeuw, larus argentatus, in havens op meer noordelijke hoogten opvalt.

Belon 1555 zet larus bij de meeuwen, Turner 1544 heeft onder larus een meeuw en een stern, waarop Gesner 1555 voortborduurt, met al iets méér meeuwen en sterns, en Willughby en Ray hebben er nóg meer soorten onder. Linnaeus haalt de groepen uit elkaar, geeft de genera larus en sterna.

-

Enkele andere algemene namen voor de meeuwen (de codes zie op Home):

(U) Frans mouette: kleine meeuw. Oudengels mǣw werd in Normandië mave, mauve, en daaruit ontstond verkleinend mouette. De Fransen gebruiken de naam grofweg voor kleinere meeuwen, voor de grote hebben ze goéland, zie verderop.

(G) Nederlands meeuw, uit Middelnederlands mewe. Duits möwe, via via uit Oudsaksisch mēu. Engels mew, uit Oudengels mǣw. Schots maa en maw, uit Oudnoords mār, en dáárvan afgeleid zijn dan weer Deens måge en Zweeds måse. De woordgroep ontstond rond de Noordzee - meeuwen zaten toen nog vooral aan zee, ook de kokmeeuw, chroicocephalus ridibundus. Voor de etymologie zijn diverse ideeën geopperd, het meest overtuigend lijkt het idee van klanknaam - ofwel via mauwen/miauwen, wat Suolahti 1909 opperde, ofwel via een oervorm die een klanknabootsing was (zie ook bij Frans maubèche voor calidris canutus). De meeste meeuwen maken krijsende ie/ai-geluiden, alsof ze gekeeld worden, en als men miauwen al niet voor de katten had, had men het voor de meeuwen uitgevonden. De zilvermeeuw, zeer aanwezig in veel vissersdorpen, heeft daarbij een doordringend mie-uw, ook een lang ma-iew, als een kat, wat niet slecht past bij het *maiwa- waarop etymologen de groep rond meeuw terugvoeren. Albertus ±1260 zei het al: “ab imitatione vocis”, ‘meeuw’ is een nabootsing van de stem. Lockwood 1984, van de huidigen, zegt het bij mew: “most likely of imitative origin”.

(G) Engels gull, uit Cornish *gullen. Frans goéland, uit Bretons gwelan. Beide hebben dus een Keltische oorsprong, en de Keltische namen zijn verwant aan elkaar. De betekenis is jammeraar, wat niet geheel toevallig gelijk is aan wat er ook hogerop uitkwam, bij laros (en de Keltische namen passen het best bij de zilvermeeuw). De Engelsen overigens hadden ooit het mew van hierboven, maar gull verdrong die naam. In zuidelijker landen zitten nazaten van Latijn gavia, nu het genus van de duikers, zie aldaar (daar ook enkele van die nazaten).

(G) Russisch tsjaika, Tsjechisch čejka, volgens Slavische etymologen een klanknabootsing. Vasmer herleidt tot een wortel *kē, wat bij hun geluiden past. Als verwant noemt hij onder andere Litouws kéikti: schelden, en ook dat past.

(V) Nederlands zeemeeuw enzovoort, zie bij larus marinus. Ook deze naam ontstond rond de Noordzee.