Zwartbuikzandhoen, vrouwtje. Photo credit: fveronesi1 via Visualhunt.com / CC BY-NC-SA

Pterocles Temminck 1815

Temminck vond dat de zandhoenders door structuur en gedrag een aparte groep vormden, zet ze in een eigen genus, maakt ze daardoor los van de ‘gewone’ hoenders. De genusnaam betreft een van de verschillen: in pterocles zit Grieks pteron: vleugel, en waarschijnlijk -kles: bijzonder, ‘beroemd om’, horend bij kleos: gerucht, roem, klezo: roemen, bezingen. Kortom: (vogel) met bijzondere vleugels.

Temminck benoemt het bijzondere in deel III (1815) van zijn “Histoire naturelle générale des pigeons et des gallinacés”, waar hij het genus geeft (p.238): pterocles “indique que ces oiseaux ont dans la forme des ailes, quelque chose de particulier [de vorm der vleugels is bijzonder]; et en effet, dans les genres nombreux dont l’ordre des Gallinacés est composé, les espèces de celui-ci [...] se distinguent, par la longueur de leurs ailes, dont la première rémige est la plus longue”; en het bijzondere ís dat anders dan andere hoenders deze vogels lánge vleugels hebben en dat de eerste handpen de langste is (van de verlengde staartveren weet hij dat alleen ‘enkele soorten’ dat hebben). Door die eerste handpen zijn de vleugels naast lang ook spits - bij andere hoenders zijn ze afgerond, doordat de eerste handpen korter is dan de eropvolgende.

In pterocles heeft Temminck vijf zandhoenders, waaronder de twee Europese. Het in Europa ooit invasiegewijs voorgekomen steppenhoen, syrrhaptes paradoxus, heeft aan de lange buitenste handpen nog een naaldvormige verlenging, zodat pterocles extra goed past, maar Temminck zet hem in syrhaptes (zo geschreven). Illiger 1811 gaf syrrhaptes, voor de vergroeide tenen (Grieks surrhapto: aaneennaaien). Pallas 1773 gaf paradoxus, omdat hij vond dat het steppenhoen afweek van gewonere soorten, onder andere door die ‘naalden’ en door die tenen. Hij had het steppenhoen, zoals ook het zwartbuikzandhoen, in het genus tetrao, waaruit Temminck de zandhoenders wilde losmaken.