Bewick 1809. Photo credit: Internet Archive Book Images via VisualHunt

Cuculus Linnaeus 1758

De Romeinen noemden de koekoek cuculus, spreek uit koekóeloes (uit een ouder *cucu?). De naam is een nabootsing van wat waarschijnlijk het bekendste Europese vogelgeluid is: het kóe-koe van de koekoek (in het genus de enige koekoek die duidelijk koekoek roept). Het kóe-koe is zelfs bekend bij mensen die het nooit hebben gehoord, wat van weinig vogelgeluiden kan worden gezegd. Daarbij hielp de bouw van een bepaald soort klokken, wat ook al niet bij elk vogelgeluid kan. Ook weet iedereen dat koekoek een klanknabootsing is.

Gattiker 1989 geeft vele verhalen over de betékenis die het roepen had, het bijgeloof. Zo was er het gebruik om uit het aantal keren dat men de vogel hoorde roepen, af te leiden hoeveel jaren men nog had, of hoeveel jaren men nog ongetrouwd zou blijven, of hoeveel kinderen men zou krijgen. De Denen zeiden: en doordat de koekoek alsmaar dit soort vragen moet beantwoorden, heeft hij geen tijd zelf een nest te bouwen.

In alle Europese talen ontstonden klanknabootsende namen: naast Latijn cuculus Grieks kokkux, Oudslavisch kukavica, Russisch koekoesjka, Hongaars kakuk, Engels cuckoo, Oudfrans cucu. Deels kwamen ze uit elkaar voort, deels ontstonden ze los van elkaar. Ook ontstonden er éénlettergrepige namen: Oudhoogduits gauh, Zweeds gök, Middelnederlands gooc, waarschijnlijk uit een ooit tweelettergrepig Germaans *gaukaz (zo kon men de roep blijkbaar óók horen). Het grootste deel hiervan verloor het later van koekoek enzovoort, misschien doordat men er de dubbele roep te weinig in herkende.

Ook in vele talen kreeg ‘koekoek’ de bijbetekenis sukkel, leegloper, vanwege het feit dat de vogel niet zelf de eieren uitbroedt en de jongen grootbrengt - misschien ook vanwege het steeds herhaalde kóe-koe: alsof hij niets ánders weet. De Romeinse blijspeldichter Plautus, in vertaling bij Pitiscus 1738: “Indien de koekoek school ging, had hy nu mogelijk konnen lezen” (p.344).