Photo credit: Airwolfhound on Visual Hunt / CC BY-SA

Tyto Billberg 1828

Tyto is een latinisering van Grieks tuto, bij de Griekse taalgeleerde Hesychius een andere naam voor glaux, de steenuil, zie bij het genus athene. Men neemt aan dat het een klanknabootsing was, zoals ook bubo voor de oehoe, qua vorm vergelijkbaar. Het was dan alleen geen naam voor de blazende en krijsende geluiden van de kerkuil. Mooi past het tju tju van de dwergooruil, maar ‘andere naam voor glaux’ suggereert dat het de steenuil was. Bij de geluiden daarvan past de naam iets mínder, maar voor deze soort zijn er wel Spaans cucu, Grieks kikumos, Roemeens cucuvaie, enzovoort, en dan kan tuto ook. Geluiden van de steenuil: een herhaald kjoe, goeëk, kuüp en een scherper wiew, wioew, klioew, kwief. Voor de taalkundige kant vergelijk Engels to toot, Litouws tututi, Latijn tutubare en cucubare, en Nederlands toeten en tuiten, allemaal klanknabootsende werkwoorden.

Onduidelijk is wat Billberg bewoog tuto voor de kerkuil te gebruiken. Er was geen traditie met de naam: niemand lijkt hem vóór Billberg te hebben gebruikt en maar een enkeling verméldt de naam (Gesner 1555, met alleen: ‘zal een klanknabootsing zijn’). Billberg gaf in 1820 wel een genus Tyta voor bepaalde nachtvlinders, nu onderdeel van de familie der Uilen of Uiltjes, de Noctuidae, waarschijnlijk zo genoemd omdat ze in de nacht actief zijn (vergelijk bij de steenuil noctua: de nachtelijke). De overeenkomst is natuurlijk het nachtelijke, maar helderder wordt het daardoor niet. Misschien was het alleen dat hij een uilennaam nodig had om het al door Belon 1555 beschreven afwijkende van de kerkuil te benoemen. En tuto was nog niet gebruikt. En week dáárin af.