J. G. Keulemans. Photo credit: BioDivLibrary via Visualhunt.com / CC BY

Eremophila Boie 1828

Leeuweriken zijn grondvogels en eremophila drukt dat uit. Grieks eremophiles: houdend van woestijnen of eenzame plaatsen, en eremophila is dan: liefhebber van de woestijn, de verlatenheid, eenzame oorden (Grieks eremos: woestijn, verlatenheid). Eremophila is ook het genus van een groep planten in Australië, dorre gronden minnend. En als een meervoud gebruikt men in bijvoorbeeld Engelse teksten eremophiles voor trappen en jufferkraan enzovoort, vogels van in het bijzonder steppen.

Sommige leeuweriknamen drukken uit dat ze op in cultuur gebrachte grond leven, zo alauda arvensis voor de veldleeuwerik, veld het boerenland. De eerste wetenschappelijke naam die bij de leeuweriken de wóéste grond benoemde, was eremophila. Daarna ontstonden chersophilus en genera voor buiten-Europese soorten. Maar wat wist men? In Europa kende men eremophila alpestris, de strandleeuwerik, nog maar net, zie bij de soort, en van de broedgebieden wist men nog vrijwel niets.

Boie baseerde eremophila waarschijnlijk op zijn landgenoot Pallas die de strandleeuwerik van Zuid-Siberië kende. Pallas 1811: ze komen uit het Noorden, overwinteren “in desertis tataricis temperatioribus”, ‘in de gematigde Tataarse wildernissen’ (I-520). Latijn deserta, kerkelijk Latijn desertum: woestijn, verlaten plaats. Met desertum vertaalde men Grieks eremos. Bedoeld zijn steppen, halfwoestijnen en bergtoendra van Zuid-Siberië. Pallas weet overigens ook al dat een deel van de vogels daar broedt.

Reden of aanleiding om een apart genus te maken waren misschien de beroemde ‘hoorntjes’ van de strandleeuwerik, waarvan Boie via Pallas wist, maar vooral toch via Alexander Wilson. In zijn “American Ornithology” van 1808-1814 schreef hij: ‘tot nu toe heeft niemand deze amusante hoorntjes beschreven en een mooie naam voor de vogel zou alauda cornuta zijn: horned lark’. Boie noemde de strandleeuwerik daardoor eremophila cornuta.