Roodstuitzwaluw. Photo credit: Agustín Povedano via VisualHunt / CC BY-NC-SA

Cecropis Boie 1826

Kekrops was in de Griekse overlevering de eerste koning van Athene (circa 1580 voor Christus). Op afbeeldingen had hij in plaats van benen de staart van een slang of draak. Hij bracht er beschaving. En begon aan de burcht die later het Parthenon gaat heten. Burcht en stad werden Kekropia genoemd, de inwoners van de stad Kekropidai: afstammelingen van Kekrops.

Kekropis was een van de stammen waarin de koning het volk opdeelde. Maar was ook: nakomelinge van Keprops, Atheense vrouw. Met cecropis kon Boie, die bij zijn genera meestal geen uitleg geeft, Atheense vrouw hebben bedoeld, hoewel de zin daarvan onduidelijk zou zijn. Hij kon ook ‘de gestaarte’ hebben bedoeld, als Kekrops samenhangt met Grieks kerkos: staart. In zijn genus heeft Boie hirundo capensis - nu cecropis cucullata, de kaapse zwaluw - en hirundo rustica, de boerenzwaluw. Beide hebben lange staarten en Boie kan aan ‘langstaart’ hebben gedacht. Maar hij moet dan die etymologie hebben gezien.

Er is ook een betere mogelijkheid. In ‘Amores’ van de Romeinse dichter Ovidius, een gedicht over het gemak waarmee dichters iets scheppen en daarmee de kijk op de wereld veranderen, staat als een van de voorbeelden: “concinit Odrysium Cecropis ales Ityn”, ‘de vogel van Cecrops [Latijn ales: vogel] bezingt de Odrysiër Itys’. Dat scheppen wij dichters, bedoelt Ovidius. Een vogel, hoewel dichterlijk: de vogel van Cecrops is Prokne die weeklaagt over haar zoon Itys die ze geofferd heeft na te hebben ontdekt dat haar man Tereus haar zus Philomela had verkracht. Tereus was koning van Thracië, de Odrysiërs waren de machtigste stam daar.

Ovidius lijkt de Griekse versie te hebben aangehouden, zie bij ptyonoprogne: om Prokne uit handen van de razende Tereus te houden wordt ze door de goden in een nachtegaal veranderd, Philomela in een zwaluw. De latere Romeinse versie keert het om: Prokne wordt zwaluw, Philomela nachtegaal. Bij Ovidius echter was cecropis ales dan de nachtegaal, dichterlijk althans.

Waar Boie zijn zes genera voor de zwaluwen geeft (Isis 1826 p.971) is de 5e progne, de 6e cecropis, kortom Prokne plus het dichterlijke beeld ervoor. Waarschijnlijk had hij de Romeinse versie in zijn hoofd, cecropis dan: zwaluw, progne natuurlijk ook. Vijf van zijn zes genusnamen daar betekenden zwaluw. De Grieken hadden er vele namen voor. En van de Romeinse dichters kwamen cecropis en progne.