Photo credit: ajmatthehiddenhouse on Foter.com / CC BY-NC-SA

Prunella Vieillot 1816

Gesner 1555 opent zijn stukje over de heggemus met: “Prunellas aucupes nostri vocant aviculas a colore”, ‘Vanwege de kleur noemen onze vogelvangers deze vogeltjes Prunella’s” (p.627). Hij voegt niet toe welke Zwitserduitse naam hier dan tot prunella werd gelatiniseerd. Maar er is er ook geen opgetekend. Uit 1531 bekend is wel Duits praunellen, en men neemt aan dat die vogelvangers dan een Zwitserduits *prunell of *prünelle hebben gekend.

Door de P en door het wat 'Franse' van prunella is gedacht aan Latijn prunum: pruim, en dan zou het een naam zijn voor het blauwgrijs op kop, keel en borst. Genoemde vogelvangers wisten het beter. Gesner: ‘ze noemen hem zo vanwege de donker bruinrode of volle baksteenkleur’. Suolahti 1909: het gaat om de B van Middelhoogduits brûn: bruin. Vergelijk bij Klein 1750 Duits braunelchen voor de heggemus. Ook is er Zwitserduits brünel, een woord voor een bruine koe of een bruin paard. Voor de vogel denkt Suolahti aan een oudere vorm *brûnele. Reeds in het Oudhoogduits waren B en P makkelijk inwisselbaar: voor bijvoorbeeld ‘broer’ was er naast bruoder ook pruoder.

De heggemus, prunella modularis, is overwegend bruin en maakt vaak een donkere of donkerbruine indruk. Engels dunnock is er ook een naam voor: bruintje (Oudengels dunn: donkerbruin). Prunella kan men waarschijnlijk óók met bruintje vertalen .. In Nederlands heggemus zit het bruine trouwens ook, door mus, de huismus, passer domesticus. Belon 1555 schreef al: “Il est si semblable à un Moineau”, ‘hij lijkt zó op een mus ..’ (p.375). En uit een onduidelijke oudere bron heeft hij de naam passer rubi: braamstruikmus. ‘Maar zeg maar heggemus’, legt hij uit.