Photo credit: kdee64 via VisualHunt / CC BY-NC-SA

Bombycilla Vieillot 1808

Vanaf het moment dat de pestvogel, bombycilla garrulus, aan de wetenschap bekend raakte, had men er moeite mee hem te plaatsen, bij de vertrouwde vogelgroepen paste hij niet echt. Wel léék hij op enkele en zo kwam hij bij gaaien, lijsters of klauwieren te staan. In 1760 zet Brisson hem, samen met de Noord-Amerikaanse pestvogel, in bombycilla, maar hij hééft het groepje onder turdus (lijster). In 1808 maakt Vieillot er een wél te aanvaarden genus van.

De naam is een latinisering bij Schwenckfeld 1603 van Duits seydenschwantz uit 1552 (Latijn bombyx: zijderups, ook: wat van zijde is gemaakt, Modern Latijn cilla: staart, zie bij motacilla). Schwenckfeld ging uit van de betekenis staart, maar eerder, in het Middelhoogduits, stond swanz voor ‘wiegende beweging bij de dans’, later voor ‘sleep, japon met sleep’, daarna pas: voor ‘staart’. Figuurlijk stond swanz voor pracht, luister, versiering. De vraag was dus wat we in (seyden)schwantz dan hebben.

En seyden: volgens Schwenckfeld sloeg dat op de zachte veren van de vogel (“Avis colorum varietate elegans, a plumis tomenti mollibus sic dicta”, p.229). Iedereen neemt dit over: het paste bij het zachte, fluwelig aandoende kleed. Iemand schrijft: “What other bird is dressed in a robe of such delicate and silky texture?”. En ook de schwantz nodigde uit tot letterlijk nemen, Wember 2007 bij voorbeeld schrijft: ‘het gele staarteinde lijkt zijdeachtig’. Maar er bleek een ouder sîdenswanz te bestaan, voor een mens, een ‘dandy’, iemand die “in seidenkleidern einherstolziert” (trots rondloopt) (wiegt?). Het staat al in ‘Der Renner’, van Hugo von Trimberg, uit circa 1300: “dirre ist gar ein sîdenswanz”, ‘deze is geheel een sîdenswanz’. Later, waarschijnlijk bij de grote pestvogelinvasie van 1552, werd de vógel van hetzelfde ‘beschuldigd’. Zoals ook in Zweden: daar had men voor de pestvogel, maar ook voor de goudvink, Zweeds skitherre: schijtheer, omdat ze ‘te mooie’ kleren droegen, zich voor beter dan andere vogels leken te houden. Het waren opsnijders. Waarschijnlijk zegt het iets over de tijden toen, over maatschappelijke en culturele verschillen.

Voor herkomst van de vogelnaam uit sîdenswanz pleit ook dat in het begin vaker verkleíningen voorkwamen, onder andere seydenschwentzlin: men vergeleek de vogel dan blijkbaar met een gróte ‘staart’, die dandy. Kinzelbach 1995 (“Der Seidenschwanz [...] vor dem Jahr 1758”, een monografie uit de serie ‘Darmstädter Beiträge zur Naturgeschichte’) onderbouwt goed dat de naam teruggaat op sîdenswanz en hij denkt dat ‘verkleinvormen’ erop wijst dat het van swanz afgeleide swenzlîn in het spel was: een japon met sleep, een feestkleed. Hij zegt het niet, maar seydenschwantz is dan ‘zijdekleed’. Verder denkt hij dat de kuíf van de vogel, zijdeachtig en staartachtig, de naam gaf. Dat hoeft niet: als sîdenswanz de hele mens was, die dandy, kan bij overdracht van de naam ook de hele vogel zijn bedoeld, bovendien past de naam heel goed bij het fluwelige van het kleed, of bij de mooie kleuren, of beide. In skitherre werd ook de hele vogel bedoeld.

Schwenckfeld wist waarschijnlijk niet van sîdenswanz, en bedoelde wellicht dat de veren konden dienen als vulling van bedden of kussens, zoals ook de veren van de eidereend, zie bij somateria mollissima (tomentum in de geciteerde zin betekent vulling). Hij schrijft niet dat hij het uitprobeerde, wel dat de vogels makkelijk te vangen waren.

In Scandinavië kwam seydenschwantz terecht als sidensvans, in Nederland als zijdestaart - nú de naam van hypocolius ampelinus, een aan de pestvogel verwante soort - ampelis was onterecht óók ooit een pestvogelgenus, zie bij de tapuit, oenanthe oenanthe. In Duitsland is de officiële naam voor de pestvogel nog steeds: seidenschwanz.