Photo credit: Internet Archive Book Images via Visualhunt.com / No known copyright restrictions

Tarsiger Hodgson 1845

In tarsi-ger zitten Modern Latijn tarsus: loopbeen, en Latijn gerere: dragen, in de zin van hebben, bij je dragen. Kortom: ‘die loopbenen heeft’. Nu hebben meer soorten dat, Hodgson bedoelde: de “tarse very elevate, slender and smooth” (p.28). Hoge en ranke loopbenen - zoals het bij caudatus voor de staartmees (Latijn cauda: staart) niet om een staart gaat, maar om een lange, zie bij aegithalos caudatus - en zoals bill voor de papegaaiduiker aangaf dat hij een bijzondere had. Hodgson had als ‘type’ van het genus tarsiger chrysaeus, de golden bush-robin, een Aziatische soort die hoog op de pootjes staat. De blauwstaart heeft dit minder, maar kwam ook in het genus terecht.

Bij de mens kwam tarsus vooral voor de ‘voetwortel’ te staan, het achterste deel van de beenderen van de voet. Bij vogels voor het ‘loopbeen’, het zichtbare deel van de poten, anatomisch wel ongeveer gelíjk aan die voetwortel: de mens loopt er op, bij de vogel staat het ook nog omhóóg - een mens lijkt wat op een vogel wanneer hij op zijn tenen gaat staan - een vogel stáát op zijn tenen, maar dat noemt men vaak de voet.

Aan tarsiger was een genus Tarsius voorafgegaan, mogelijk inspireerde dat Hodgson. Storr 1780 geeft Tarsius voor de zeer lange voetwortels van de spookdiertjes: halfaapjes met aan handen en voeten lange vingers. Buffon gaf de naam: Frans tarsier, uit Frans tarse: voetwortel. In Nederland werden ze daardoor wel voetworteldieren genoemd. Tarsiger kan vertaald worden met voetwortelvogel.