Photo via Visualhunt.com

Garrulus Brisson 1760

De naam garrulus zit in Europa bij drie vogels: het is de genusnaam van de vlaamse gaai, garrulus glandarius, de soortnaam van de scharrelaar, coracias garrulus, en de soortnaam van de pestvogel, bombycilla garrulus. Het begon bij de vlaamse gaai, op de andere twee is de naam ‘overgedragen’, zie daar. In de primaire naam zit het Latijnse zelfstandig naamwoord garrulus: kletskous, babbelaar - Latijn garrire: praten, babbelen, snateren, vooral van dieren gezegd - het bijvoeglijk naamwoord garrulus: praatziek, babbelachtig. In de overgedragen namen zit een heel andere betekenis dan bij de vlaamse gaai.

Bij Van Cantimpré ±1240 staat de naam waarschijnlijk voor het eerst: ‘Garrulus is, zoals Isidorus zegt, naar zijn praatzucht genoemd. Want hij is de spraakzaamste der vogels. Verder roept hij onaangenaam. En imiteert vogels’. ‘Als hij jong is, wordt hij gekooid, om te leren spreken’. ‘Zijn verenkleed is zó gevarieerd, dat gezegd wordt dat hij alle kleuren van alle vogels heeft’, “Hec avis tanta plumarum varietate distinguitur, ut nullus ei ceterarum avium color deesse dicatur” (p.209).

Onder andere door de gevarieerdheid van de kleuren lijkt dit sterk de vlaamse gaai. Maar hij babbelt ook: naast een krijsend schrèijk-schrèijk geeft hij soms zachte ‘concertjes’, ongeveer zoals ook spreeuwen doen. En ze imiteren veel, de ekster, die het ook had kunnen zijn, doet dat niet. De Grieken overigens wisten het meeste hiervan al, misschien inspireerde dat Van Cantimpré ook.

Van Cantimpré corrigeert genoemde Isidorus (560-636), aartsbisschop van Sevilla. Deze had het over graculus, niet garrulus: “Graculus a garrulitate nuncupatus”, ‘Graculus is naar zijn praatzucht genoemd’, vergelijk de eerste zin bij Van Cantimpré. Graculus was vrij zeker de kauw, zie bij pyrrhocorax graculus. De terechtwijzing bij Van Cantimpré luidt: ‘graculus is zwart, garrulus heeft véle kleuren’.

Dat Van Cantimpré de vlaamse gaai bedoelde, denkt ook Van Maerlant ±1266: “Dies is hi garrulus ghenant, Een gai hetet in Wals lant” - Frans geai uit Laat Latijn gaius, mogelijk nabootsing van het schrèijk, eerder misschien een algemener 'roeper', maar als André 1967 gelijk heeft de persoonsnaam Gaius: vogels ‘gekooid’ gaf men vaak persoonsnamen. Ook Gesner 1555 ziet in garrulus de vlaamse gaai, en nóemt de ‘vele kleuren’. Nederlands vlaamse gaai staat er mogelijk ook voor: rijke Vlaamse kooplui stonden lang geleden bekend om hun fraaie kledij. Als vlaamse gaai vanuit Nederland gegeven is, kan hij zelfs spottend en/of neerbuigend zijn bedoeld: vogel die zich te mooi uitdost, vergelijk bombycilla bij de eveneens (te) fraai uitgedoste pestvogel.