Carpodacus Kaup 1829

Carpodacus betekent ‘vruchtbijter’. Grieks karpos: vrucht, ook pit, zaad, kern - dakos: dier dat door een giftige beet of steek gevaarlijk is, vrij vertaald: bijter.

De Carpodacus-soorten eten zaden, knoppen, pitten, scheuten, bessen, fruit, kortom: vruchten. Snow 1998 over de roodmus, carpodacus erythrinus: “Removes outer scales from bud, eating only soft nuclei” (p.1598). Misschien was het Duits kernbeißer waarop Kaup carpodacus entte. Het was vooral een naam voor de appelvink, zie coccothraustes coccothraustes - maar zie ook namen bij pinicola enucleator. Hoewel minder dan de appelvink zijn ook de Carpodacus-soorten kernbijters.