Photo credit: Internet Archive Book Images via VisualHunt.com

Sylvia Scopoli 1769

Sylvia is waarschijnlijk net als de persoonsnaam Sylvia gevormd bij Latijn sylva/silva: bos, en betekent dan: bosvogel. In namen gebruikte men ook de afleiding sylvestris/silvestris, in de beide betekenissen die dit woord had: bos- en wild. Voor 'wild' zie bij de grauwe gans, anser anser.

Gaza 1476, vertaler van Aristoteles, bedenkt de naam. Grieks erithakos vertaalt hij met Latijn rubecula, maar hij geeft er ook silvia voor, als een twééde naam. Het gaat om de erithakos van Aristoteles, zie bij het genus erithacus voor de roodborst, in het bijzonder de formulering: ‘in de zomer heet hij phoinikouros, in de winter erithakos’. De geheimzinnige soort werd later geïnterpreteerd als 'gekraagde roodstaart in de zomer, roodborst in de winter'. Gesner 1555: mogelijk bedacht Gaza silvia voor het feit dat de erithakos in de zomer in het bos leefde (“forte quod in sylvis degere soleat per aestatem”, p.697). Hij al kan in de omschrijving bij Aristoteles twee soorten hebben gezien, en hebben gedacht dat die wintervogel (misschien zag hij er al de roodborst in) in de zomer wel in het bos zou zitten, en dan gaf hij hem gelijk maar de ontbrekende naam (‘in de zomer silvia’).

Na Gaza wordt sylvia zelden gebruikt. Maar in 1750 maakt Klein er een genus van, voor diverse zangvogels, niet allemaal van het bos overigens. De roodborst noemt hij sylvia sylvatica, wat hem tot dé bosvogel maakt, zeg maar. Het brede gebruik is overgebleven in het huidige genus Sylvia en in de familienaam Sylviidae.

-

Enkele andere algemene namen voor de grasmussen (de codes zie op Home):

(U) Frans fauvette, zie bij sylvia hortensis.

(G) Engels warbler: zanger, warbler hoort bij to warble: zingen, kwinkeleren. Pennant 1773 gaf de naam voor het genus sylvia van Scopoli 1769 hogerop, maar uit dat genus worden later diverse soorten in andere genera geplaatst, zodat warbler tegenwoordig gebruikt wordt voor vogels in de genera Sylvia, Hippolais, Locustella, Acrocephalus, Phylloscopus, enzovoort. Samen vormen ze de Zangers, maar het nog bredere Zangvogels omvat álle zangvogels, is de orde der Passeriformes, waarin Latijn passer zit, de mus (waarbij de Oscines, die een suborde ervan vormen, enigszins verwarrend de ‘eigenlijke zangvogels’ zijn, Latijn oscen: zingende vogel - over de precieze indeling van de Zangers daarbinnen veranderen de inzichten regelmatig, ook de indeling op deze site is een tijdelijke, wat natuurlijk ook voor andere groepen vogels geldt).

(?) Nederlands grasmus. Voor kleine vogels werd vaak mus gebruikt, die mus kón dus in grasmus zitten, omdat grasmussen kleine vogels zijn, maar op z'n minst was dan het éérste deel vreemd: grasmussen zitten in struiken, niet in het gras. En nóg gekker was Duits grasmücke, wat letterlijk vertaald grasmug zou zijn. Voor de herkomst van de namen is daardoor gedacht aan een Oudhoogduits *grasa-smucka, waarin wel het gras zit, niet de mus: het zou gaan om ‘Grasschlüpferin’, grassluipster, smucka gevormd bij schmücken: zich bukken, wegkruipen in - een naam waarvan men al snel gras-mücke maakte, en in het Rijnland grasemusch, wat grasmus gaf. Dat sluipen zit ook in Nederlands braamsluiper voor sylvia curruca, en in diverse andere volksnamen voor de Sylvia’s: men vond het dus passen (zeker de braamsluiper laat zich in de struiken weinig zien). Maar gras? Sylvia communis, dé grasmus, nestelt soms in ruige grassen, zoekt er ook insecten: onmogelijk wás Grasschlüpferin dus niet. Maar grasmussen ziet men normaal dus in struiken, Schlegel 1854-1858 schreef al: de vier in Nederland bekende grasmussen “kruipen in de struiken rond”. Wember 2007 oppert daarom, niet als eerste overigens, dat de naam moet worden begrepen als *gra-smücke: grauwe sluiper, grauw voor: ‘weinig opvallend gekleurd’. Een oplossing is er nog steeds niet. Onbekend is ook waarvoor het van óórsprong een naam was: voor één van de soorten, of voor alle die men kende. Weinig waarschijnlijk is in ieder geval dat men de grasmussen al als een gróep zag, men zag alleen maar allerlei kleine vogels door de struiken gaan (en bij de winterkoning, troglodytes troglodytes, zit het kruipen ‘dus’ ook, al in Oudhoogduits zûnsluphe: heggesluiper, en zie ook troglodytes zelf). In Frankrijk is passerinette een algemene naam, voor vooral grasmussen, en daarin zit wél de mus, zie bij sylvia borin.