Photo credit: Martha de Jong-Lantink via Visualhunt.com / CC BY-NC-ND

Pagophila Kaup 1829

Met pagophila bedoelde Kaup waarschijnlijk ijsvriend. Grieks pagos: ijs, vorst, ook berg/rotspunt, filos: vriend van, liefhebber van. De ivoormeeuw broedt vaak op kliffen, maar de gebondenheid aan ijs is het overheersende kenmerk van de soort (naast het witte, zie bij pagophila eburnea). IJsvriend zit ook in Pagophilus groenlandicus, de alternatieve naam voor de ijsminnende zadelrob, Phoca groenlandica.

De vogel broedt aan de kusten van arctische eilanden: Groenland, Spitsbergen, enzovoort. Liefst waar ijs is. En ook in de winter blijven de meeste bij ijs, het pakijs in dit geval, vaak samen met robben, ijsberen. Mogelijk kwam hij vroeger wel zuidelijker. Volgens Nilsson 1858 althans verschijnt hij in de winter soms “talrikt vid det norra Norge” (II-332). En in 1914 wordt gemeld dat hij vaak in de Varangerfjord zit, de noordoostelijkste fjord van Noorwegen. Nu is dat niet meer zo.

Constantine Phipps, die de soortnaam gaf, ziet de vogel bij de noordwestelijke punt van Spitsbergen, op een ontdekkingsreis die aan de noordkant van Spitsbergen strandt. Het pakijs stopt het schip. Rey 1984 vermeldt een later geschreven gedicht over Phipps, waarin onder andere: “And crowding ice has risen to the deck. The ship half coffin’d in the biting frost” (p.402). De mens moet terug. De ijsmeeuw, zoals een naam zou kunnen luiden, is in zijn element.