Een inleiding. En iets over talen.

In de zoölogie, en dus ook in de ornithologie, hebben ‘organismen’ een wetenschappelijke naam, een naam die door de wetenschap tot de officiële uitgeroepen is en waarmee men in alle landen dezelfde soort bedoelt. In de hele wereld heet de huismus passer domesticus - met ‘verplichte’ hoofdletter P, maar vanwege de rust van het beeld heb ik namen altijd met kleine letter. Men had ook een nummer kunnen geven, maar dat ziet er minder vriendelijk uit, bovendien verdwijnt dan een deel van de histórie van de ornithologie.

Naast de wetenschappelijke naam is er de landsnaam, de officiële naam in een land: huismus. Tenslotte zijn er de volksnamen, onder andere mus. Van oorsprong zijn de volksnamen de échte namen: zo kénde men de vogels. Een deel van de wetenschappelijke namen komt eruit voort.

Al deze namen hebben een historie, soms teruggaand op Grieken en Romeinen. De site is daarmee ook een historie van de ornithologie, hoewel anders dan de gebruikelijke: men vindt hier de ontwikkelingsgang van namen. Tegelijkertijd heb ik onderzocht hoe lang men de vogel(s) kénde. Naam en soort hingen natuurlijk vaak samen.

De wetenschappelijke namen worden ook wel Latijnse genoemd, wat op het eerste gezicht in orde lijkt, maar het niet is: sommige zíjn Klassiek Latijn, kwamen bij de Romeinen voor (passer), andere zijn samengesteld uit gewone woorden (apivorus uit Latijn apis en vorare), weer andere zijn een gelatiniseerde samenstelling (carpodacus uit Grieks karpos en dakos), en een deel is gelatiniseerd uit weer een andere taal, Frans, Engels, enzovoort. In veel namen is het Latijnse aanzien kortom slechts een jasje. De namen konden trouwens ook Engels zijn, of Fries, of wat dan ook, maar lang geleden was het Latijn de taal van de wetenschap en de namen weerspiegelen dit - óók een aspect van de historie van de ornithologie.

Bekende soorten hebben in de loop van de tijd diverse wetenschappelijke namen gehad, afhankelijk van de schrijver en de inzichten. Soms noem ik er een, als het zinvol is in een verhaal. Samenhangend hiermee: in de taxonomie, het deel van de ornithologie dat de soorten naar kenmerken groepeert, worden door nieuwe kennis regelmatig nieuwe indelingen gemaakt. Ook dit is oud: vanaf Aristoteles, vaak de eerste ornitholoog genoemd, probeerde men in de ‘chaos’ van organismen die men aantrof, orde aan te brengen. Een gevolg hiervan zijn namen als porzana porzana: iemand ‘promoveert’ de soortnaam porzana tot een genusnaam en bij een latere herindeling komt de soort in dat genus terecht. Soorten ‘verhuizen’ soms: de ooievaar was bij Linnaeus 1758 een reiger: ardea ciconia. Soms ga ik op taxonomie of classificatie in, primair echter gaat het mij om herkomst en betekenis van de namen, niet om de systematiek van de soorten.

Tegenwoordig zet men evolutionaire ordeningen op, op grond van DNA. Ongeveer tot aan Darwin ordende men vooral op grond van uiterlijke kenmerken: die boden houvast. De namen weerspiegelen dit, maar men vindt er ook roep, zang en ander gedrag, en de biotoop of het gebied waar men een soort zag. Men noemt dit wel het ‘benoemingsmotief’: naar wat is een vogel benoemd? Los van een kleine categorie ‘overige’ gaat het vooral om uiterlijk, gedrag, voorkomen. Dit geldt ook voor de volksnamen.

Huidig onderzoek brengt oude indelingen aan het wankelen, zet ook het begrip ‘soort’ op scherp (‘is soort niet eerder een statistische verzameling?’). Deze kwesties hoeven ons hier niet bezig te houden: vroeger, en weerspiegeld in de namen, was een soort wat men zág - hoewel het ook toen niet alléén eenvoudig was.

Bij een wetenschappelijke naam zijn er twee ‘onderdelen’: genusnaam en soortnaam. In passer domesticus is passer de genusnaam, domesticus de soortnaam. In passer, ‘mus’, kunnen vele soorten zitten, passend bij het feit dat het een genus is, een geslacht. Maar voor domesticus, vrouwelijk domestica, ‘van het huis’, geldt ook iets: men kan er vele soorten mee benoemen, soorten die bij huizen voorkomen. Waar dit op neerkomt: passer domesticus, de combinátie van de twee, is de échte soortnaam - geheel vergelijkbaar met huismus, de Romaanse en de Germaanse combinatie verschillen alleen in de vólgorde van de woorden. De regels zijn dat een genusnaam één keer mag voorkomen (voor een groep verwante vogels) en dat binnen een genus ook de soortaanduiding slechts één keer mag voorkomen. De combinátie is daardoor uniek: er is in de hele wereld maar één vogel die passer domesticus heet.

Door passer hoort de huismus tot de Mussen, de Passeridae, wat de familienaam is - áfgeleid van passer. In een familie zitten in het algemeen diverse genera, in de Passeridae ook nog petronia en montifringilla, en buiten Europa nog méér genera (meervoud van genus). Op Internet zijn alle overzichten te vinden, onder andere op de site Avibase: alle vogels, alle namen.

Maar we zijn er nog niet. Op grond van de ‘International Code of Zoological Nomenclature’ van de ICZN, de organisatie die waakt over “the correct use of the scientific names of animals”, is passer domesticus niet de héle naam. Dat is: Passer domesticus (Linnaeus 1758). Men leze dit als volgt: ‘in 1758 heeft Linnaeus de huismus de soortnaam domesticus gegeven en deze hebben wij als de geldige officiële naam geaccepteerd’. De haakjes leze men als: ‘Linnaeus noemde hem domesticus, maar had hem níet in het genus passer’ (hij had hem in fringilla: vink). Stond er Passer domesticus Linnaeus 1758, dan had hij hem in het genus passer gehad en was de vogel nooit ‘verhuisd’.

Vaak schrijft men ‘gewoon’ Passer domesticus, ‘deftiger’ is dus Passer domesticus (Linnaeus 1758), waarbij men soms een komma zet tussen de naam van de ‘naamgever’ en het jaartal. Bij soorten die verhuisd zijn, is míjn notatie als volgt: Passer domesticus (Linnaeus 1758: Fringilla domestica), zodat men direct ziet hoe de naamgever de soort noemde. Bij soorten die nog in het oorspronkelijke genus zitten daarentegen, geef ik het gangbare, zo voor de vink: Fringilla coelebs Linnaeus 1758. Tegen de regels in: in de kopjes van de artikelen zet ik de namen niet cursief.

Het jaar 1758 is het jaar nul van de ornithologie. Toen men de soortaanduidingen voor eens en altijd wilde vastleggen - om een eind te maken aan situaties waarin een soort meer dan één naam had en iedereen ook weer níeuwe kon bedenken - koos men Linnaeus 1758 als uitgangspunt. In de toekomst mocht het genus nog veranderen, de soortaanduiding niet meer. En de officiële naam werd tweeledig. De meeste vogels van Europa hadden vóór Linnaeus al een wetenschappelijke naam, maar schrijvers variéérden in wat ze als naam gebruikten, bovendien bestond de naam soms uit één woord, soms uit twee, soms uit drie, wat makkelijk verwarring gaf. Linnaeus bedacht een doeltreffend systeem: elk organisme een dubbele, binominale of binomiale naam, passer domesticus enzovoort (en, bedacht men later: voor een ondersoort komt er nog een naam bij). Dit binomiale was door sommige ‘naturalisten’ al eerder gedaan, maar zelden consequent. Bij Linnaeus werd het een regel waarvan niet af te wijken viel. Er kwam protest, en er was lang een zeker soort chaos, maar uiteindelijk won het systeem, door de eenvoud ervan. In 1905 werden de regels van de ICZN definitief vastgelegd (daarna soms wel aangevuld, licht gewijzigd, enzovoort).

De keuze voor Linnaeus 1758, de 10e editie van zijn “Systema Naturae”, zie de Literatuur, had als gevolg dat oudere namen niet meer telden en dat 1758 het oudste jaartal is dat men in de officiële namen van vogels kan aantreffen. Het doet wel eens denken dat Linnaeus alle namen gaf, maar ook híj borduurde voort op wat er was. In mijn artikelen is dit vaak een thema.

Ook besloot men om als officiële naam de oudste te nemen die er te vinden was (maar niet ouder dan 1758). Dit werd ‘de regel van de prioriteit’: had een vogel een naam, zeg uit 1834, maar vond iemand er een die al in 1812 gegeven was maar nog niet opgemerkt, dan kreeg die van 1812 ‘prioriteit’, werd de officiële naam. In de artikelen vindt men er soms voorbeelden van. Op de regel worden wel uitzonderingen gemaakt, meer hierover op diverse sites.

Nog een regel: de genusnaam is een zelfstandig naamwoord (passer) of een woord dat als zodanig opgevat kan worden (de grote). De soortaanduiding (domesticus) is meestal een bijvoeglijk naamwoord - een ‘regel’ die soms verhindert dat men ziet dat het oorspronkelijke woord een zelfstandig naamwoord was (in de artikelen voorbeelden hiervan, onder andere albellus bij het nonnetje).

Bij de genusnaam hoort ook een ‘type’, de soort waarop de naamgever de keuze van de naam baseerde, de soort die hij als de typerende van het genus zag (een ‘zij’ kwam in de ornithologie niet voor). Nu en dan was dat type een tekening: zo verwijst Linnaeus soms naar Albin, die als eerste of enige vóór hem een tekening en beschrijving van betreffende vogel had. Op sites is meer te vinden over ‘type’, en ook over ‘type-locatie’, in het Engels ‘type locality’.

Een probleem bij naamgevers is dat ze hun namen vaak niet uitlegden. En bij vooral de oudere naturalisten dat hun teksten vaak summier zijn, wat het nogal eens lastig maakt te bepalen welke soort ze hadden (in de artikelen vele voorbeeelden hiervan). Zeker als gevolg van dit laatste is de historie van de wetenschappelijke namen er voor een deel een van misverstanden, verkeerde interpretaties en kronkelwegen. Anderzijds moet men bewondering hebben voor wat ‘de oudjes’ zonder veldgidsen, verrekijkers en verspreidingskaartjes voor elkaar kregen.

Talen

De talen waarnaar in de artikelen verwezen wordt, zijn vooral de Indogermaanse - tegenwoordig schrijft men liever: Indo-Europese. Samen met de talen van Iran tot en met India gaan de meeste talen van Europa terug op een groep verwante oertalen van duizenden jaren geleden. Men vermoedt dat de stammen die ze spraken, in het zuiden van huidig Rusland leefden. Later trokken ze enerzijds naar het Westen, anderzijds naar het Zuidoosten. Een voorbeeld van de ‘eenheid’, dat wil zeggen van de verwantschap: Nederlands broer/broeder, Russisch brat, Latijn frater, Oudindisch bhratar. Aan fundamentele woorden is verwantschap het makkelijkst te zien.

De etymologie, de tak van de taalkunde die de herkomst van woorden onderzoekt, baseert zich op deze verwantschap. Daarnaast op klankwetten, wetten die beschrijven hoe woorden zich ontwikkelden - wat ervoor zorgde dat talen veranderden, zó dat Duitsers en Nederlanders elkaar nog enigszins verstaan, het tussen Nederlanders en Russen al oneindig veel moeilijker is, tussen Nederlanders en Indiërs onmogelijk. Een eenvoudig voorbeeld van ontwikkeling in het Nederlands: de klinker in ‘uil’ moet lang geleden een oe zijn geweest, in het Middelnederlands was de naam al ule, en door een ‘klankwettige verandering’ werd het uil. Hoe verder terug in de tijd, deste meer moeite men met de eigen taal krijgt. Het lijkt bijna de taal van een ander volk. En een Indogermaanse oertaal zou gehéél onverstaanbaar zijn.

Taalkundigen ‘faseren’ een taal, op grond van deze ontwikkelingen. Terug in de tijd heb je: Nederlands - Middelnederlands - Oudnederlands. Het Middelnederlands situeert men tussen 1200 en 1500. Andere talen hebben een vergelijkbare indeling, hoewel de ‘eeuwen’ variëren, het Middelhoogduits situeert men tussen 1050 en 1350.

In de etymologie probeert men zover mogelijk terug te gaan. Vaak construeert men daarbij een oerwoord, een woord dat niet opgetekend is, maar dat te construeren valt op grond van de wél opgetekende woorden - én op grond van de vastgestelde klankwetten. Dergelijke woorden geeft men een asterix, tegenwoordig zo dat ze aan algebra kunnen doen denken: *sth2-lo-, voor stoel (dit ‘woord’ PIE: Proto-Indo-Europees, de hypothetische oertaal - sommige reconstructies zijn ‘beperkter’, bijvoorbeeld alleen Germaans). Men leze *sth2-lo- als: ongeveer zo zal het oerwoord voor huidig stoel er waarschijnlijk uitgezien hebben. In sommige artikelen noem ik er, wanneer etymologie aan de orde is.

Het Latijn kent de volgende fases:

Klassiek Latijn 200-200, Laat Latijn 200-550, Middeleeuws Latijn 550-1500, Modern Latijn 1500-.

Naast het Klassiek Latijn was er het Volks Latijn, wat ‘men’ sprak. Uit de dialecten daarvan ontstonden later Spaans, Frans, en andere Romaanse talen.

In de artikelen bedoel ik met ‘Latijn’: Klassiek Latijn. Met ‘Grieks’: het Grieks van de ‘oude Grieken’.