Literatuur

Opgenomen zijn hier (1) de ornithologische en aanverwante werken die ik in de artikelen vaak citeer, huidige en historische, (2) werken over vogelnamen, en de voor mijn doel belangrijkste woordenboeken, (3) de meeste van de werken waarin een genusnaam, of een nieuwe soort en de wetenschappelijke naam ervoor, voor het eerst werden gepubliceerd. In bepaalde artikelen zit trouwens ook nog literatuur, meestal is dat iets wat ik alleen aldaar nodig had. De meeste tekstjes hieronder openen met naam en jaar, soms meer dan één jaar - het gaat om naam en jaar waarmee ik iemand in de artikelen citeer. Achternamen beginnend met De en Van vindt men bij De en Van. Bij de schrijvers die een rol speelden in de histórie van de ornithologie geef ik tussen haakjes hun land en wanneer ze leefden, daarna wát iemand schreef, en vaak ook het beláng van de schrijver. Bij recentere werken, die soms van meer dan één auteur zijn, nam ik de eerste of belangrijkste daarvan, om in de artikelen korter te kunnen zijn. Over de meeste van de schrijvers kan men op Internet natuurlijk nog veel meer vinden.

De boekwerken van de oudere schrijvers zijn tegenwoordig bijna allemaal op Internet te vinden. Belangrijke sites zijn:

Göttingen

Google Books

Biodiversity Heritage Library

Op BHL vindt men ook grote aantallen ornithologische tijdschriften, te beginnen met de allereerste van na 1800.

Vindt men op deze sites iets niet dan levert Google vaak iets op.

-

| A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | R | S | T | V | W | Y |

-

Aelianus (Rome ca.170-ca.235). Claudius Aelianus, een 17-delig “Peri Zoon Idiotetos”, ‘Over de Aard der Dieren’, waarin veel vogels zitten. Het werk bevat veel fantasie, is voor de ornithologie vooral van belang omdat Aelianus eerdere schrijvers citeert, werken die verloren gingen.
 
Albertus ±1260 (Duitsland ca.1200-1280). Albertus Magnus, Albert de Grote: theoloog, filosoof, een van de weinigen met in die tijd aandacht voor natuurwetenschap. “De Animalibus”, ±1260, waarvan boek 23 over de vogels gaat. Van Cantimpré was zijn leerling, maar voor de vogels nam Albertus veel van hém over.
 

Albin 1731, 1734, 1738 (Engeland ca.1690-1742). Eleazar Albin: “A Natural History of Birds”, 1731, 1734, 1738, drie delen. Een van de eerste vogelboeken met kleurtekeningen, sommige goed, andere matig.

Aldrovandi 1599, 1600, 1603 (Italië ca.1522-1605). Ulysse Aldrovandi, uit Bologna. “Ornithologia”, 1599, 1600, 1603, drie delen. Is een samenvatting, zoals Gesner vóór hem deed, van de vogelkundige kennis tot dan, voor een groot deel reproduceert hij oudere schrijvers, deels is het eigen kennis en onderzoek. Veel illustraties. Men ziet wel eens over het hoofd dat hij sommige dingen scherp zag en dat hij bij een aantal soorten de eerste was die ze had.

Alexander van Myndos (Griekenland 1e eeuw na Christus). Wat hij schreef is bekend geworden doordat latere schrijvers het citeerden, vooral Aelianus en Athenaeus. Dat ze hem citeerden zegt waarschijnlijk iets over de waardering die hij als vogelkenner genoot.

André 1967. Jacques André: “Les noms d’oiseaux en latin”, 1976.

Aristophanes (Griekenland ca.445-ca.388). Schreef onder andere de komedie ‘De Vogels’ (“Ornithes”). Twee Atheners, ontevreden met hun onbestuurbare stad, vluchten naar het vogelrijk, waar ze met behulp van de vogels (het koor in het stuk) een ideale stad bouwen, waarbij natuurlijk van alles mis gaat. Er figureren tientallen vogelsoorten in het stuk, voor een deel zijn ze goed herkenbaar.

Aristoteles (Griekenland 384-322). Filosoof, natuurwetenschapper, de eerste grote. Geboren in Macedonië, komt hij op zijn 18e op de academie van Plato in Athene, blijft er 20 jaar, ontwikkelt een passie voor de studie van de natuur; daarna is hij enige tijd op Lesbos; wordt in 343, terug in Macedonië, tutor van Alexander de Grote; in 335 is hij terug in Athene, waar hij het Lyceum sticht. Zijn geschriften, onder andere het beroemde “Historia Animalium”, worden vanuit het Grieks in het Arabisch vertaald, vervolgens vanuit het Arabisch in het Latijn, later vanuit het Grieks in het Latijn (de vertaling van Gaza 1476 is de belangrijkste). Historia Animalium is een algemene zoölogie: anatomie, fysiologie, gedrag. Soorten zijn illustraties van algemene principes. De beschrijvingen zijn daardoor kort. En de soorten staan verspreid in de tekst. Wel heeft hij al een eenvoudige classificatie. Een deel van zijn kennis had hij waarschijnlijk van vogelvangers, aangezien hij vaak zegt hoe en waar de vogels gevangen werden (hij kon ze niet allemaal zelf kennen).

Armstrong 1958. Edward Armstrong: “The folklore of birds”, 1858.

Arnott 2007. William Arnott: “Birds in the Ancient World from A to Z”, 2007.

Athenaeus (Griekenland, ca. 200 na Christus). Schreef “Deipnosophistai”, ‘Geleerden aan tafel’, met daarin veel over eten, muziek en dans, maar ook veel over vogels. Zie ook bij Alexander van Myndos.

Aubert 1868. Hermann Aubert en Friedrich Wimmer: “Aristoteles Thierkunde”, 1868. De vogels.

-

Baillon 1834 (Frankrijk 1778-1855). Louis Baillon. Bestudeert de fauna van Abbeville in Picardië, beschrijft in “Catalogue des Mammifères, Oiseaux, Reptiles, Poissons et Mollusques testacés marins” de resultaten van zijn onderzoek. Het is gepubliceerd in ‘Mémoires de la Société royale d’émulation d’Abbeville’, 1833-1860. Zijn vader, Jean Baillon (1742-1802), was een belangrijke correspondent van Buffon, gaf hem gedetailleerde beschrijvingen van vogels van de kust van Picardië.

Baird 1858 (Verenigde Staten 1823-1887). Spencer Baird: “Catalogue of North American Birds”, 1858.

Barrère 1745 (Frankrijk 1690-1755). Pierre Barrère: “Ornithologiae specimen novum”, 1745, en “Nouvelle relation de la France equinoxiale”, 1743.

Battisti 1950-1957. C. Battisti en G. Alessio: “Dizionario Etimologico Italiano”, 1950-1957, vijf delen.

Bechstein 1791, 1792, 1793, 1795, 1802 (Duitsland 1757-1822). Johann Bechstein, ook wel ‘Vater der deutschen Vogelkunde’ genoemd: “Kurzgefasste gemeinnützige Naturgeschichte des In- und Auslandes für Schulen und häuslichen Unterricht”, 1792. Belangrijkste werk: “Gemeinnützige Naturgeschichte Deutschlands”, met drie delen ‘Vögel’, 1791, 1793, 1795. De verkorte versie hiervan: “Ornithologisches Taschenbuch von und für Deutschland”, 1802. De uitgebreidere/verbeterde editie: “Gemeinnützige Naturgeschichte Deutschlands”, 1805, 1807, 1809.

Beekes 2010. Robert Beekes: “Etymological Dictionary of Greek”, 2010. Het tiende deel uit de ‘Leiden Indo-European Etymological Dictionary Series’.

Belon 1555 (Frankrijk 1517-1565). Pierre Belon: “L’histoire de la Nature des Oyseaux”, 1555, ook het jaar van het later nog beroemder geworden vogelboek van Gesner. Gesner is de grote compilator (van de kennis tot dan), Belon is de grotere systematicus - baseert ook meer op eigen waarneming, en laat mythen, folklore en medicinaal gebruik van de vogels zoveel mogelijk achterwege: hij wil onderzoek (onderneemt ook diverse reizen). Over de tekeningen schrijft hij: ‘alle zijn naar de natuur gemaakt’. Opvallend is daarbij dat de vogels meestal op een ondergrond staan, een aanduiding van de biotoop. Vergeleken echter bij de pogingen die Turner en Gesner deden om vast te stellen wat Aristoteles en Plinius aan soorten hadden, nam Belon te snel aan dat dat wel duidelijk was, wat voor enkele wetenschappelijke namen gevolgen heeft gehad.

Bewick 1797, 1804 (Engeland 1753-1828). Thomas Bewick, uitvinder van de techniek van de houtgravure: “History of British Birds”, in 1797 het deel ‘Land Birds’ (tekeningen van Bewick), in 1804 het deel ‘Water Birds’ (tekeningen en tekst van Bewick).

Billberg 1828 (Zweden 1772-1844). Gustaf Billberg: “Synopsis Faunae Scandinaviae”, 1827 deel I, 1828 deel II. Ook: “Svensk Zoologie”, 1806-1825.

Birkhead 2008. Tim Birkhead: “De wijsheid van vogels”, 2008.

Blasius 1858 (Duitsland 1809-1870). Johann Blasius: “Briefliche Mittheilungen über Helgoland”, een artikel (p.303-316) in ‘Naumannia. Journal für die Ornithologie’, 1858. Zie ook bij Keyserling.

Blyth 1842, 1849 (Engeland 1810-1873). Edward Blyth, vanaf 1841 twintig jaar lang in dienst van het ‘Museum of the Asiatic Society of Bengal’ te Calcutta. Beschrijft soorten die het museum ontvangt, vooral uit India. Doet door geldgebrek en slechte gezondheid weinig veldwerk.

Boddaert 1783 (Nederland ca.1730-1796). Pieter Boddaert: “Table des planches enluminéez d’histoire naturelle de M. D’Aubenton”, 1783, bedoeld als ‘identificatiesleutel’ bij de ‘Planches Enluminées’, de 1008 kleurplaten die François-Nicolas Martinet maakte bij de teksten van Buffon - Buffon vroeg Edmé D’Aubenton (Daubenton) de uitgave van de platen op zich te nemen. Op 973 van de platen van Martinet stonden vogels. Boddaert geeft in zijn ‘sleutel’ de Franse naam in Buffon, de Engelse in Latham, en de wetenschappelijke bij Linnaeus en/of Brisson. Bij sommige echter ontbrak een officiële naam, en Boddaert bedacht er dan een, volgens het binomiale systeem van Linnaeus (waarvan Buffon een tegenstander was). Per geval liet hij zich leiden door de kleurtekening van Martinet en de tekst van Buffon.

Boie 1822, en 1822, 1826, 1828, 1831 (Duitsland 1789-1870). Friedrich Boie: “Tagebuch gehalten auf einer Reise durch Norwegen im Jahre 1817”, 1822. Introduceert veel nieuwe genera in de Isis van 1822, 1826, 1828 en 1831. Geeft er zelden uitleg bij, hij classificeert vooral.

Boisacq 1938. Emile Boisacq: “Dictionnaire étymologique de la langue greque”, 1938.

Bonaparte 1828, 1831, 1834, 1850, 1855 (Frankrijk 1803-1857). Charles Bonaparte, zoon van een broer van Napoleon Bonaparte. “The Genera of North American Birds” deel 2, een artikel (p.293-432) in ‘Annals of the Lyceum of Natural History of New-York’, 1828. “Saggio di una distribuzione metodica degli Animali Vertebrati”, een artikel (p.3-77) in ‘Giornale arcadico di scienze lettere ed arti’, 1831, deel 49. “Iconografia della fauna italica per le quattro classi degli animali vertebrati”, 1832-1841, deel I. “Coup d’œil sur les Pigeons (quatrième partie)”, p.15-24 in ‘Comptes Rendus Hebdomadaires des Séances de l’Académie des Sciences’, deel 40, 1855. “Tableaux synoptiques de l’ordre des Hérons”, p.718-724 in dezelfde ‘Comptes Rendus Hebdomadaires’, deel 40, 1855. Bonaparte is systematicus, geen veldornitholoog. Doet onderzoek in Noord-Amerika, later in Europa. Schrijft ook “American ornithology”, 1825-1833, vier delen, met vele nieuwe soorten. Vooral belangrijk wordt zijn classificatie van alle dan bekende vogels: “Conspectus Generum Avium”, 1850-1857, twee delen (het tweede niet voltooid).

Bonelli (Italië 1784-1830). Franco Bonelli. Hoogleraar zoölogie aan de universiteit van Turijn. Schrijft onder andere over de vogels van Piémont. Bouwt het natuurhistorisch museum van de universiteit uit tot een beroemd instituut. Ontvangt uit Sardinië soorten van Alberto della Marmora (1789-1863).

Bonnaterre 1791, 1792 (Frankrijk 1752-1804). Pierre Bonnaterre: “Tableau encyclopédique et méthodique: Ornithologie”, 1790-1792.

Borkhausen 1793, 1797 (Duitsland 1760-1806). Moritz Borkhausen: “Deutsche Fauna”, deel I, 1797. Werkt mee aan “Teutsche Ornithologie oder Naturgeschichte aller Vögel Teutschlands”, 1800-1812. Over de grote kruisbek publiceert hij in 1793 in ‘Rheinisches Magazin’, uitgegeven door hemzelf.

Brehm 1820, 1828, 1830, 1831, 1855, 1861 (Duitsland 1787-1864). Christian Brehm, Pfarrer zu Renthendorf. “Beiträge zur Vögelkunde”, drie delen, het eerste in 1820. Artikelen in de ‘Isis’, 1828, 1830. “Handbuch der Naturgeschichte aller Vögel Deutschlands”, 1831. “Der vollständige Vögelsang”, 1855. “Bericht über die XIII. Versammlung der Deutschen Ornithologen-Gesellschaft zu Stuttgart vom 17 bis 20 September 1860”, 1861. Ook initiator van de ‘Ornis’, het eerste ornithologische tijdschrift, uitgekomen 1824, 1826, 1827. Brehm heeft een enorme verzameling vogels, onderscheidt in het ‘Handbuch’ op grond van piepkleine verschillen in bouw, grootte of kleed eindeloos veel (sub)soorten, geeft hierdoor vele soorten drie, vier, vijf of meer namen (binomiale, waardoor subsoorten alleen al soorten léken). In het ‘Handbuch’, dus voor Duitsland, heeft hij “mehr als 900 einheimische Vögel-Gattungen” (Svensson 2010 heeft voor héél Europa “ruim 900 vogelsoorten”, waaronder ook nog de vogels van Noord-Afrika, dwaalgasten en ‘extreme’ dwaalgasten). Evengoed: Brehm heeft veel betekend voor de ornithologie. Enkele van zijn kinderen worden trouwens ook beroemd: Thekla, die nu in de naam voor de theklaleeuwerik zit, Reinhold, die de spaanse keizerarend ontdekt, en Alfred, die nog beroemder dan zijn vader wordt, door ‘Illustrirtes Thierleben’ 1864-1869, later ‘Brehms Thierleben’ 1876-1879, uiteindelijk ‘Brehms Tierleben’ 1890-1893. Het was een ongekend succes en er kwamen vele vertalingen en bewerkingen van, ook een Nederlandse.

Breme 1839 (Italië 1807-1869). Fernando di Breme: “Nouvelle espèce européenne du genre Larus, par M. le Marquis De Breme”, mededeling in ‘Revue Zoologique, par la Société Cuvierienne’, 1839.

Brisson 1760 (Frankrijk 1723-1806). Mathurin Brisson: “Ornithologia sive synopsis methodica”, 1760, zes delen, de teksten in Latijn en Frans naast elkaar. Hij had dé meester van de ornithologie kunnen worden, gezien de betere classificatie dan die van Linnaeus, en de precieze beschrijvingen van het uiterlijk van de vogels, betere dan alle van vóór 1760 (maar niet levendig: het zijn droge opsommingen). Brisson baseert zich op de enorme collectie van De Réaumur (1683-1757). Na diens dood gaat de collectie naar het ‘Cabinet du Roi’ en krijgt Buffon er de zeggenschap over. Brisson verliest van Buffon. En later ook nog van Linnaeus: in de namen is Brisson onvoldoende binomiaal, zoals Linnaeus 1758 dat was, zijn namen zijn een-, twee- of drieledig. Bijvoorbeeld: het genus Puffinus. De 1e soort is Puffinus. De 2e is Puffinus cinereus. De 3e is Puffinus Capitis Bonae Spei (Kaap de Goede Hoop). Het was onhandig en verwarrend: Puffinus was het genus, én de hoofdsoort van het genus (het ‘type’, zoals men het tegenwoordig zegt). Gevolg: Brisson wordt ‘onderdrukt’, nadat men Linnaeus 1758 als uitgangspunt heeft gekozen (zie de Inleiding). Zijn genera mochten meedoen, zijn soortnamen niet.

Bruch 1832 (Duitsland 1789-1857). Carl Bruch: “Ornithologische Mittheilungen”, een artikel (p.1105-1111) in de Isis, jaargang 1832. Ook introduceert hij de driedelige naamgeving, waarbij de derde naam een ondersoort is.

Brünnich 1764 (Denemarken 1737-1827). Morten Brünnich: “Ornithologia borealis”, 1764, de vogels van Noorwegen, IJsland, Groenland, de Färöer, op grond van exemplaren uit een collectie (hij was er niet zelf). Brünnich werkte samen met Pontoppidan, is waarschijnlijk voor een deel verantwoordelijk voor wat deze over de vogels schreef.

Buffon 1770-1783 (Frankrijk 1707-1788). Georges-Louis Leclerc, Comte de Buffon door benoeming. “Histoire Naturelle des Oiseaux”, 1770-1783, negen delen van een grotere ‘Histoire Naturelle’ over aarde, dieren, mens, een van de belangrijkste werken van de 18e eeuw. Als ik Buffon citeer is dat uit de tweede druk van 1796-1799, uitgegeven in Dordrecht; op de paginanummering na is dit een ongewijzigde druk. In de eerste druk opgenomen waren 260 zwart-wit-tekeningen van Jacques De Sève. Later worden van François-Nicolas Martinet 973 kleurplaten los toegevoegd. Daarop stonden 1238 vogels, een uniek aantal voor die tijd (uit 2007 en 2008 zijn er een Franse respectievelijk Engelse reprint van de platen, met een begeleidende tekst van Stéphane Schmitt). ‘De Buffon’ werd een begrip, in het bijzonder door de platen, maar ook door de tekst (deels overigens van De Montbeillard en van Bexon, waarbij Buffon corrigeerde). Buffon schrijft uitvoerig over het gedrag, de zang, en de biotoop, en dat was nieuw (voorgangers deden het alleen mondjesmaat, en Brisson 1760 beschreef alleen het uiterlijk). Bovendien doet Buffon het in een beroemd geworden levendige stijl. Ook bespreekt hij kritisch de namen die vanaf de Oudheid gegeven waren, en fulmineert als kind van de Verlichting tegen het bijgeloof, en loopt al vooruit op Darwin. Doordat hij in Parijs in de ‘Jardin du Roi’ over een enorme collectie beschikt, beschrijft hij heel wat soorten als eerste - maar doordat hij als tegenstander van ‘dorre systematiek’ Linnaeus niet volgt, zit hij in geen van de huidige officiële namen. Hij geeft Franse namen. Maar dat zet Boddaert 1783 aan het werk, waardoor Buffon indirect toch in enkele officiële namen zit.

-

Cabanis 1851 (Duitsland 1816-1906). Jean Cabanis: “Museum Heineanum”, deel I, 1851. Hij gaf veel genera en benoemde veel nieuwe soorten.

Cabard 1995. Pierre Cabard en Bernard Chauvet: “L’étymologie des noms d’oiseaux”, 1995. Er is ook een latere editie van.

Capponi 1979. Filippo Capponi: “Ornithologia latina”, 1979, ‘Pubblicazioni dell’Istituto di Filologia Classica e Medievale dell’Università di Genova, 58’.

Catesby 1731-1743 (Engeland 1683-1749). Mark Catesby. Zit in de jaren 1712-1726 in de Verenigde Staten, bestudeert flora en fauna van delen van de Oostkust en schrijft “The Natural History of Carolina, Florida, and the Bahama Islands”, 1731-1743. De tekst in het Engels en Frans, de kleurtekeningen zijn van Catesby. Er waren er al meer die zich met de ornithologie van Noord-Amerika bezighielden, maar Catesby wordt gezien als het echte begin ervan. En Europa (Linnaeus, Brisson, Buffon) leert door zijn boek vele Noord-Amerikaanse soorten kennen.

Cetti 1776 (Italië 1726-1778). Francesco Cetti: “Gli uccelli di Sardegna”, ‘De vogels van Sardinië’, 1776, het tweede deel van zijn ‘Storia naturale della Sardegna’, 1774-1777, de eerste uitgebreide natuurlijke historie van het eiland.

Chantraine 1968. Pierre Chantraine: “Dictionnaire étymologique de la langue grecque”, 1968.

Charleton 1668 (Engeland 1619-1707). Walter Charleton: “Onomasticon Zoicon”, 1668. Bij namen geeft hij vaak uitleg, een soort etymologieën, soms wel rare.

Clusius 1605 (Vlaanderen 1526-1609). Carolus Clusius: “Exoticorum libri decem”, 1605, in het vijfde boek daarvan staan de eerste beschrijvingen van een aantal exotische vogelsoorten. In de jaren 1593-1609 is Clusius, die vooral een plantkundige is, in Leiden hoogleraar in de exotische zoölogie, wordt de grondlegger van dat vak. Hij beschrijft onder andere wat de eerste Nederlandse schepen uit ‘de Oost’ meebrengen. Maar ook een aantal nóórdelijke vogels: van de Noorse (Bergense) arts Henrik Højer ontvangt hij een verhaal over vogels op de Färöer, neemt dat op in zijn boek.

Conrad 1827 (Zwitserland 1784-1878). Thomas Conrad (Conrad von Baldenstein, naar het kasteel waar hij woonde, in Graubünden): “Nachrichten über die Sumpf-Meise (Mönchs-Meise)” en “Nachrichten über die noch zu wenig bekannte Familie unsrer Laubsänger”, artikelen, respectievelijk p.30-36 en p.72-90, in deel II van ‘Neue Alpina’, 1827. Conrad deed onderzoek naar de vogels van de Alpen.

Coomans 1947. L. Coomans de Ruiter, W. C. van Heurn, W. K. Kraak: “Beteekenis en etymologie van de wetenschappelijke namen der Nederlandsche vogels”, 1947.

Corominas 1984-1991. Corominas en Pascual: “Diccionario crítico etimológico Castellano e Hispánico”, 1984-1991.

Coromines 1980-1991 (Catalaan, Corominas is de Spaanse schrijfwijze). Joan Coromines, samen met Joseph Gulsoy en Max Cahner: “Diccionari etimològic i complementari de la llengua Catalana”, 1980-1991.

Cory 1881 (Verenigde Staten 1857-1921). Charles Cory: “Description of a new species of the family Procellariidae”, een artikeltje op p.84 van het ‘Bulletin of the Nuttall Ornithological Club’ van 1881. Hij bestudeerde de vogels van Noord-Amerika, in het bijzonder die van Florida en West-Indië.

Cretzschmar 1826 (Duitsland 1786-1845). Philipp Cretzschmar. Beschrijft in de vijfdelige “Atlas zu der Reise im nördlichen Afrika von Eduard Rüppell” de ongeveer dertig nieuwe vogelsoorten die Rüppell in de jaren 1821-1827 ontdekt in het stroomgebied van de Nijl. Deel II, met als ondertitel ‘Vögel’, kwam uit in 1826, het vijfdelige werk in 1826-1828 (niet alles daarin is van Cretzschmar). Rüppell stuurde met enige regelmaat zijn materiaal naar Frankfurt, naar het Senckenberg-genootschap. Cretzschmar, die net als Rüppell tot dat genootschap behoorde, besloot om vóór diens terugkeer een deel van de resultaten te publiceren (in deel II). Zie ook bij Rüppell.

Cuvier 1800, 1817 (Frankrijk 1769-1832). Georges Cuvier: “Leçons d’anatomie comparée de G. Cuvier”, ‘Recueillies et publiées sous ses yeux par C. Duméril’, deel I, 1800. “Le Règne Animal”, 1817, vier delen, het hele dierenrijk omvattend, een uitgebreidere editie kwam er in 1829-1830.

-

De Selys Longchamps 1884 (België 1813-1900). Edmond de Selys Longchamps: “Considérations sur le Genre Mésange”, een artikel (p.32-78) in het ‘Bulletin de la Société Zoologique de France’, 1884.

De Vaan 2008. Michiel de Vaan: “Etymological Dictionary of Latin and the other Italic Languages”, 2008. Het zevende deel uit de ‘Leiden Indo-European Etymological Dictionary Series’.

De Vries 1962. Jan de Vries: “Altnordisches Etymologisches Wörterbuch”, 1962.

De Vries 1992. Jan de Vries, met aanvullingen door F. de Tollenaere: “Nederlands Etymologisch Woordenboek”, 1992. Het manuscript is van 1963. Eerste druk: 1971.

Desfayes 2000. Michel Desfayes: “Origine des noms des oiseaux et des mammifères d’Europe”, 2000. Ook het monumentale “A Thesaurus of Bird Names. Etymology of European Lexis Through Paradigms”, 1998, in deel I de namen, in deel II de paradigma’s. Het is enorm veel materiaal, de etymologie is vaak onuitgewerkt of problematisch.

Desfontaines 1789 (Frankrijk 1750-1833). René Desfontaines: was twee jaar in Noord-Afrika, toen nog Barbarie geheten. “Mémoire sur quelques nouvelles espèces d’oiseaux des côtes de Barbarie”, een artikel in ‘Histoire de l’Académie Royale des Sciences’, 1789.

Dionysius (Griekenland 2e eeuw na Christus). Periegetes Dionysius: “Ixeutikon”, over de vogelvangst. Over de vogels zelf geeft hij deels feitelijke, deels mythologische verhalen.

Duméril 1806 (Frankrijk 1774-1860). Constant Duméril: “Zoologie analytique”, 1806, volgens sommigen in 1805 verschenen.

-

Edwards 1743, 1747, 1750, 1751, 1758, 1760, 1764 (Engeland 1694-1773). George Edwards: “Natural history of birds”, 1743, 1747, 1750, 1751, voortgezet in “Gleanings of natural history”, 1758, 1760, 1764. Edwards heeft vaak mooie kleurtekeningen, bij uitstekende beschrijvingen (maar geeft geen classificatie van de soorten). Hij ontvangt vogels via allerlei contacten, of koopt er op markten in Londen, of leent er tijdelijk om ze te kunnen tekenen, enzovoort. In het bijzonder ontvangt hij er uit Gibraltar, maar meer nog uit Noord-Amerika, via medewerkers van de Hudson Bay Company. Hij beschrijft diverse soorten als eerste.

Ehrenberg, zie bij Hemprich en Ehrenberg.

Eigenhuis 2004. Klaas Eigenhuis: “Verklarend en etymologisch Woordenboek van de Nederlandse Vogelnamen”, 2004.

Ernout 1959. Alfred Ernout en Antoine Meillet: “Dictionaire Etymologique de la Langue Latine”, 1959.

Eyton 1836 (Engeland 1809-1880). Thomas Eyton: “A catalogue of British Birds”, 1836.

-

Fabricius (Duitsland 1516-1571). Georg Fabricius, was een van de belangrijkste correspondenten van Gesner. Uit Meissen, ook als Meißen geschreven, stuurde hij Gesner informatie over de watervogels van de Elbe.

Falk 1903-1906. Hjalmar Falk en Alf Torp: “Etymologisk ordbog over det norske og det danske sprog”, 1903-1906. Reprint 1999.

Falk 1786 (Zweden 1727-1774). Johann Falk, leerling van Linnaeus, reist door Zuid-Rusland. “Beyträge zur topographischen Kenntniß des Rußischen Reichs”, 1785-1786, drie delen.

Feduccia 1985. Alan Feduccia: “Catesby’s Birds of Colonial America”, 1985.

Fehringer 1951. Otto Fehringer: “Die Welt der Vögel”, 1951.

Fisher 1966. James Fisher: “The Shell Bird Book”, 1966.

Fischer 1842 (Duitsland 1771-1853). Johann Fischer von Waldheim. Directeur van het Natuurhistorisch Museum van de Akademie van Moskou, sticht in 1805 de ‘Société Impérial des Naturalistes de Moscou’ en heeft de redactie over het tijdschrijft van de vereniging, het ‘Bulletin de la Société Impérial des Naturalistes de Moscou’ (verschenen in de jaren 1829-1886).

Fleischer 1818 (Duitsland 1799-1832). Ernst Fleischer. “Zwei neue Falken”, een artikel in ‘Sylvan, ein Jahrbuch für Forstmänner, Jäger und Jagdfreunde’, jaargang 1818.

Forster 1767, 1772, 1788 (Schotland 1729-1798). Johann Forster: “Specimen historiae naturalis Volgensis”, een artikel in ‘Philosophical Transactions of the Royal Society of London’, jaargang 1767. Ook: “An Account of the Birds sent from Hudson’s Bay”, een artikel in idem, jaargang 1772. Ook “Enchiridion historiae naturali”, 1788.

Forster 1817 (Engeland 1789-1860). Thomas Forster: “A Synoptical Catalogue of British Birds”, 1817.

Frederik II ±1246 (Duitsland 1194-1250). Frederik II von Hohenstaufen, keizer van het Heilige Roomse Rijk en valkenier. “De Arte Venandi cum Avibus”, ‘Over de kunst van het jagen met vogels’, de valkenjacht. Het is geschreven na 1240, het origineel is in 1248 verloren gegaan bij de belegering van Parma. Het Vaticaan heeft de bekendste copie ervan, die van zoon Manfred, waaraan het boek ook opgedragen was. Het is verluchtigd met vele kleurtekeningen, voor een deel waarschijnlijk van de keizer zelf. Na Aristoteles (en Plinius) is dit het eerste echte vogelboek. Wordt vaak ‘Valkenboek’ genoemd, maar gaat ook over andere vogels. Voor de Middeleeuwen is het een opvallend werk: Frederik observeert, doet onderzoek. Hij wil kennis, geen christelijke of mythologische interpretaties, wil de dingen laten zien ‘zoals ze zijn’ (“que sunt, sicut sunt”). Het boek komt daardoor, en ook om politieke redenen, op de kerkelijke Index, tot 1800 kennen weinigen het.

Frisch 1733-1763 (Duitsland 1666-1743). Johann Frisch: “Vorstellung der Vögel in Teutschland” (1733-1763), op het terrein van de vogels het eerste omvangrijke Duitse werk met kleurplaten, die vaak geprezen zijn om hun kwaliteit. Het zijn twaalf afleveringen, min of meer twaalf vogelfamilies vormend. De meeste platen lijken van vóór 1733 te zijn (precieze gegevens lijken niet te bestaan). Na de dood van Frisch is de reeks voortgezet en voltooid door enkele zonen en een kleinzoon. In totaal zijn het ruim 250 kleurplaten, met óp de platen namen. Het afsluitende boek (Frisch 1763) bestaat uit zijn teksten bij die platen, werd samengesled door zijn zoon Leopold Frisch.

Frisk 1960-1972. Hjalmar Frisk: “Griechisches Etymologisches Wörterbuch”, 1960, 1970, twee delen, met in 1972 nog een deel ‘Nachträge’.

Frivaldszky 1838 (Hongarije 1799-1870). Imre Frivaldszky: een artikel in “Kaarpaataljai Magyar Tudomaanyos Tarsaag”, 1838. Hij schreef ook een natuurlijke historie van de Balkan.

-

Gattiker 1989. Ernst en Luise Gattiker: “Die Vögel im Volksglauben”, 1989.

Gaza 1476 (Griekenland ca.1400 – Italië ca.1477). Theodoros Gazes, in Italië Theodorus Gaza. Wordt er hoogleraar Grieks, vertaalt Griekse schrijvers in het Latijn. “Aristotelis Stagiritae De Historia Animalium”, 1476, de vertaling van ‘Historia Animalium’ zie bij Aristoteles. Het werk versterkte de herontdekking van Aristoteles die in de Middeleeuwen al langzaam op gang gekomen was, en zorgde er ook voor (maar door Plinius kwam het ook) dat namen van Aristoteles in een aantal van de huidige wetenschappelijke namen terechtkomen: Gaza geeft er een Latijns jasje aan en Gesner, Belon en anderen nemen ze over. Met de Griekse namen doet hij één van drie dingen: hij latiniseert ze (Grieks kinklos wordt ‘Latijn’ cinclus), vertaalt ze (Grieks chenalopex wordt Latijn vulpanser), of geeft ze het Latijnse synoniem (Grieks aigolios wordt Latijn ulula).

Gené 1839 (Italië 1800-1847). Giuseppe Gené: “Nouvelle espèce européenne du genre Faucon”, in ‘Revue Zoologique, par la Société Cuvierienne’, 1839 (p.105). Het is een mededeling over de nieuwe valkensoort (Falco eleonorae) waarover hij in maart 1829 in Turijn een voordracht gehouden had. Hij deed ook onderzoek naar de fauna van Sardinië en werd de opvolger van Bonelli als directeur van het natuurhistorisch museum in Turijn.

Gesner 1555 (Zwitserland 1516-1565). Conrad Gesner, ook Gessner, Geßner, Gesnerus. “De Avium Natura”, 1555, het derde deel van zijn ‘Historiae Animalium’ van 1551-1587 dat vier delen besloeg. Gesner zette bij elkaar wat er tot dan over de dieren geschreven was. Maar keek ook krítisch naar het oude, nam niet alleen over. En hij verwerkt eigen waarnemingen. Verder baseert hij zich op correspondenten, onder andere Fabricius zie aldaar; hij krijgt ook veel van Turner; en hij krijgt tekeningen uit Straatsburg, van Lucas Schan. Van de Europese vogels heeft hij er circa 200, voor die tijd een respectabel aantal (Belon 1555 had er circa 160). Zijn ‘systematiek’ is dat hij de vogels alfabetisch presenteert, maar dat soms onderbreekt om ‘groepjes’ te maken, van wat hij denkt dat verwante soorten zijn (zie bijvoorbeeld het 'garrulus-groepje' bij Coracias garrulus). Per soort geeft hij oudere namen, bekende volksnamen, kenmerken, fabels, recepten, en medicinaal gebruik. In de ornithologie is zijn 'Vogelboek' een van de allerbelangrijkste geweest. Velen baseren zich erop, met als gevolg dat heel wat wetenschappelijke namen teruggaan op Gesner. In 1585 is er een tweede editie, met enkele nieuwe soorten. In 1557 is er van Rudolf Heusslin een ingekorte Duitse versie, in 1669 een van Georg Horst, deze van matige kwaliteit door de vele inkortingen, soms merkwaardige vertalingen, en vaak slechte reproducties van de originele tekeningen (deels wel getrouw Gesner, maar je moet ze met het origineel vergelijken om geen fout beeld te krijgen).

Giebel 1872, 1875, 1877. Christoph Giebel: “Thesaurus Ornithologiae”, 1872, 1875, 1877, drie delen. Een (immense) verzameling van de tot dan gegeven wetenschappelijke namen.

Giraldus 1187 (Engeland 1146-1223). Giraldus Cambrensis: “Topographia Hibernica”, 1187, een topografie van Ierland, waarin ook vogels opgenomen zijn.

Glardon 1997. Philippe Glardon: “Pierre Belon du Mans - L’histoire de la Nature des Oyseaux”. Analyse en commentaar bij een reprint van Belon 1555.

Gloger 1842 (Duitsland 1803-1863). Constantin Gloger: “Gemeinnütziges Hand- und Hilfsbuch der Naturgeschichte”, 1842.

Gmelin 1788, 1789 (Duitsland 1748-1804). Johann Gmelin: “Linnaei Systema Naturae”, 1788-1793, de delen over de vogels zijn van 1788 en 1789. Het is de voortzetting van ‘Systema Naturae’ van Linnaeus, maar toegevoegd is ook veel materiaal van bijvoorbeeld Latham (Gmelin zet zijn Engelse beschrijvingen in Latijnse om en geeft er binomiale namen bij). Door het nieuwe materiaal wordt ‘Gmelin’ veel dikker dan ‘Linnaeus’ was, ís niet meer Linnaeus, maar het werk gaat lange tijd wel door voor de 13e editie van 'Linnaeus' (alleen al door de titel). Bepaalde soorten en namen werden daardoor onterecht aan Linnaeus toegeschreven. Lichtenstein 1823 schreef in de inleiding van zijn 'Verzeichniß': “Den immer mehr einreissenden Gebrauch, Linnés Verdienst nach der von Gmelin besorgten 13ten Ausgabe zu schätzen und diese unter Linnés Namen zu citiren, so daß dann auch alle Fehler derselben ihm zur Last fallen, befolgen wir nicht”.

Gmelin 1770, 1774 (Duitsland 1744-1774). Samuel Gmelin: “Reise durch Rußland”. In de jaren 1768-1772 reist hij door Zuid-Rusland en Noord-Perzië. Schrijft daarover vier boeken, uitgekomen in 1770, 1774, 1784 (in 1774 twee van de vier). Samuel is in de ornithologie de minder bekende van de Gmelins. Hij was een neef van J. G. Gmelin, die in 1733-1743 een grote reis door Siberië maakte, en deze was een oom van Johann Gmelin hierboven.

Gotch 1981. A. F. Gotch: “Birds, their Latin names explained”, 1981.

Gould 1845 (Engeland 1804-1881). John Gould: een artikel (p.18-20) in “Proceedings of the Zoological Society of London”, 1845. Gould is bekender geworden door kleurtekeningen van vogels.

Gray 1859 (Engeland 1808-1872). George Gray. Onder zijn vele publicaties is er als kleintje: “Description of a New Species of Diver (Colymbus)”, p.167 van de ‘Proceedings of the Zoological Society of London’, 1859.

Gray 1830, 1834 (Engeland 1800-1875). John Gray, broer van George. “Illustrations of Indian Zoology”, 1830, 1834. Het zijn tekeningen van (hoofdzakelijk) generaal-majoor Hardwicke (1756-1835), die in India diende en daar onder andere vogels verzamelde. Gray was nooit in India, werkte bij het British Museum in Londen, hield zich bezig met de collectie, beschreef nieuwe vogelsoorten. De twee boeken bestaan uit afbeeldingen, voor de teksten kreeg Hardwicke de tijd niet meer.

Grzimek 1973, 1975, 1974. Bernhard Grzimek en vele anderen: “Het leven der dieren”, met drie delen over de Vogels, 1973, 1975, 1974.

Güldenstädt 1769, 1774 (Balticum 1745-1781). Johann Güldenstädt: een van de vele en vooral Duitse wetenschappers die na 1700 door Rusland en Siberië trekken, zie ook bij Messerschmidt (en bij Pallas). Güldenstädt trekt in 1768-1775 door Zuid-Rusland en de Kaukasus. Soorten geeft hij in de in 1732-1782 uitgegeven ‘Novi Commentarii Academiae Scientiarum Imperialis Petropolitanae’, Handelingen van de Academie van Wetenschappen te Sint Petersburg. Van zijn aantekeningen en dagboeken stelt Pallas na zijn dood twee boeken samen: “Reisen durch Rußland und im Caucasischen Gebürge”, 1787, 1791.

Gullander 1971. Bertil Gullander: “Olof Rudbecks Fågelbok, 1693-1710”. Zie ook bij Rudbeck. Gullander geeft een selectie van de beroemde vogeltekeningen van Rudbeck, met teksten over de soorten: van Rudbeck, van studenten die zijn colleges van 1727-1729 volgden (onder andere Linnaeus), en van de látere Linnaeus (onder andere colleges die híj gaf, in 1748).

Gunnerus 1767 (Noorwegen 1718-1773). Johann Gunnerus: hij verzorgde voetnoten, ‘Anmærkningen’, in het Deens/Noorse “Beskrivelse over Finmarkens Lapper” van Knud Leem uit 1767 (met parallel daaraan de vertaling in het Latijn: “De Lapponibus Finmarchiae”). Het boek gaat over het leven van de Sami, voorheen de Lappen, in het noorden van Noorwegen, heeft een uitvoerig deel over de dieren en vogels.

-

Hablizl 1783 (Rusland 1752-1821). Carl Hablizl: “Neue Nordische Beyträge”, deel IV, 1783. Beschrijvingen van delen van vooral Rusland en Siberië.

Hagberg 1944. Knut Hagberg: “Carl Linnaeus”, 1944. Een beschrijving van zijn leven.

Handrinos 1997. George Handrinos en Triantaphyllos Akriotis: “The Birds of Greece”, 1997.

Hartert 1904 (Duitsland 1859-1933). Ernst Hartert. “Die Vögel der Paläarktischen Fauna”, 1903-1922, vele delen. Hij gebruikte voor soorten met ondersoorten het trinomiale systeem, als het ware tegen het binomiale van Linnaeus in. Het leidde tot heftige debatten.

Hasselquist 1757 (Zweden 1722-1752). Fredrik Hasselquist, leerling van Linnaeus. Reist in 1749-1752 door Egypte, Palestina en Syrië, beschrijft soorten van die regio. “Iter Palaestinum eller Resa til Heliga Landet”, na zijn vroegtijdige dood door Linnaeus in 1757 uitgegeven. Nederlandse vertaling: “Reize naar Palestina, of het H. Land”, 1771. Linnaeus putte uit zijn werk.

Hellquist 1957. Elof Hellquist: “Svensk Etymologisk Ordbok”, 1957. Etymologie van het Zweeds.

Hemprich en Ehrenberg 1833; Friedrich Hemprich (Duitsland 1796-1825), Christian Ehrenberg (Duitsland 1795-1876): “Symbolae Physicae”, 1828-1845, verslagen van hun expedities 1820-1825 in gebieden rond de Rode Zee, negen delen (ze verzamelen zo’n 4000 diersoorten). Hemprich overlijdt in 1825, waarna Ehrenberg de expeditie stopt. De verslagen publiceert hij onder beider naam. Over het citeren is veel onduidelijkheid geweest: door het overlijden van Hemprich (sommigen vonden dat er in een wetenschappelijke naam dan ‘Ehrenberg 1833’ moest staan, niet meer hun beider naam), maar ook door de complexe wijze waarop het materiaal werd gepubliceerd.

Hermann 1804 (Duitsland 1738-1800). Johann Hermann: “Observationes Zoologicae”, 1804.

Hernández 1651 (Spanje 1517-1578). Francisco Hernández. Doet onderzoek in Mexico, heeft daardoor in 1651 van diverse Mexicaanse soorten de eerste beschrijving, noteerde ook de namen die Indianen ervoor gaven.

Hesychius (Griekenland, vierde-vijfde eeuw na Christus). Grieks taalgeleerde waarvan een woordenboek is overgeleverd, met zo'n 2640 trefwoorden, vooral ongebruikelijke woorden, waardoor hij een interessante bron voor taalonderzoek werd. Ook was hij interessant vanwege de vogelnamen, maar achter een naam staat regelmatig als betékenis slechts: ‘een vogel’, 'naam van een vogel'.

Heusslin 1557 (Zwitserland ??-1600). Rudolf Heusslin, ook Heußlin: “Vogelbuch”, 1557, een Duitse vertaling en bewerking van Gesner 1555.

Hodgson 1845 (Engeland 1800-1894). Brian Hodgson: een artikel over de vogels van Nepal, p.22-37 in “Proceedings of the Zoological Society of London”, 1845.

Holbøll 1843 (Denemarken 1795-1856). Carl Holbøll: “Ornithologiske Bidrag til den grønlandske Fauna”, een artikel in ‘Naturhistorisk Tidsskrift’, fjerde bind, 1842-1843.

Holub 1967. Josef Holub en Stanislav Lyer: “Strucny etymologicky slovnik jazyka ceskeho”, 1967, een Tsjechisch etymologisch woordenboek.

Horst 1669 (Duitsland 1626-1661). Georg Horst: “Gesneri redivivi, aucti et emendati”, 1669, twee delen, na Heusslin 1557 de tweede Duitse vertaling en bewerking van Gesner 1555. Heruitgave van 1981.

Hortling 1944. Ivar Hortling: “Svenska Fågelnamn”, 1944, Zweedse volksnamen en hun etymologie.

Houttuyn 1762, 1763 (Nederland 1720-1798). Martinus Houttuyn: “Natuurlyke Historie of Uitvoerige Beschryving der Dieren, Planten en Mineraalen, Volgens het Samenstel van den Heer Linnaeus”, 1761-1785, 37 delen, de delen IV (1762) en V (1763) betreffen ‘De Vogelen’. Het is ‘Linnaeus’, maar Houttuyn verwerkt ook Brisson, Edwards, Gesner enzovoort. Ook van hem is: “Verzameling van Uitlandsche en Zeldzaame Vogelen”, 1772-1781 (vijf delen, in 1776 drie daarvan). Johann Seligmann bewerkte de 474 kleurtekeningen van Edwards en Catesby, geeft ze in 1749-1776 uit, met een Duitse, Franse en Nederlandse tekst. De laatste was van Houttuyn (waarbij hij ook Nederlandse namen gaf, die meestal via die van Seligmann teruggaan op die van Edwards of Catesby). Tot slot: Houttuyn schrijft ook delen van het vijfdelige “Nederlandsche Vogelen” van 1770-1829, dat begonnen was door Nozeman, zie verder aldaar.

-

Illiger 1811 (Duitsland 1775-1813). Johann Illiger: “Prodromus systematis mammalium et avium”, 1811, met een andere classificatie dan Linnaeus had, wat de aanzet werd om over de systematiek der vogels opnieuw na te denken.

Ilitsjev 1985, 1989, 1990. V. D. Ilitsjev en V. E. Flint: “Handbuch der Vögel der Sowjetunion”, 1989. De delen I, IV, VI(1).

Isidorus (Spanje ca.560-636). Isidoro de Sevilla, aartsbisschop van Sevilla: “De Avibus”, hoofdstuk VII van ‘De Animalibus’, het twaalfde deel van zijn ‘Etymologiae’, in twintig delen een encyclopedie van de kennis van dat moment, eeuwenlang voor de christelijke wereld een gezaghebbende bron. De teneur is voor een deel moralistisch, vergelijk bij Van Cantimpré de ‘Physiologus’. Over vogels heeft hij soms een interessant idee, vaker zijn het bijgeloof en fabels.

-

Jarocki (Polen 1790-1869). Feliks Jarocki: “Spis Ptaków [Vogellijst] w Gabinecie Zoologicznym Królewsko Warszawskiego Uniwersytetu”, 1819.

Jobling 1991. James Jobling: “A dictionary of scientific bird names”, 1991. Met in 2010 een aangevulde en verbeterde editie: “The Helm dictionary of scientific bird names”.

Jonston 1650 (1603-1675). John Jonston, Johannes Jonstonus: “Historiae Naturalis”, deel VI, over de vogels, 1650. Korte versie van de ‘te dikke’ werken van Gesner en Aldrovandi, wat ‘de Jonston’ tot een begrip maakte, ook door de overzichtelijke presentatie van afbeeldingen uit hun boeken (in de overgenomen namen zaten wel veel fouten). In het ‘korte’, lijkend op wat Belon al deed, zien Willughby en Ray een voorbeeld. In 1660 is er van Matthias Graus een Nederlandse vertaling: “I. Jonstons Naeukeurige beschryving van de natuur der viervoetige dieren, vissen en bloedlooze water-dieren, vogelen, kronkel-dieren, slangen en draken”, de eerste Nederlandstalige 'Encyclopedie van de Natuur'. In 1976 werden de illustraties van de vogels separaat uitgegeven (‘309 afbeeldingen van vogelen’).

-

Kaup 1829 (Duitsland 1803-1873). Johann Kaup. Belangrijk zoöloog en systematicus, met bijzondere opvattingen, en toen hij ouder werd weer heel andere. “Skizzirte Entwickelungs-geschichte und Natürliches System der Europäischen Thierwelt”, 1829, met veel nieuwe genera.

Keller 1913. Otto Keller: “Die Antike Tierwelt”, 1913. Over de fauna bij Grieken, Romeinen, Egyptenaren, enzovoort. Deel II: Vogels, reptielen, vissen, insecten, enzovoort.

Keyserling 1840 (Duitsland 1815-1981). Alexander Keyserling. Schreef samen met Johann Blasius “Die Wirbelthiere Europa’s”, 1840.

Kitson 1997, 1998. P. R. Kitson: “Old English Bird-names”, twee artikelen in ‘English Studies’, volume 78 (1997) en volume 79 (1998).

Klein 1750 (Duitsland 1685-1759). Jacob Klein, naturalist te Danzig. “Historiae Avium Prodromus”, 1750. Maakte een classificatie die een alternatief had moeten worden voor die van voor Linnaeus.

Kluge 1967. F. Kluge en W. Mitzka: “Etymologisches Wörterbuch der deutschen Sprache”, 1967.

Koch 1816 (Duitsland 1778-1857). Karl Koch: “Die Säugthiere und Vögel Baierns”, 1816, later uitgegroeid tot een meerdelig “System der Bayerischen Zoologie”, ook wel ‘Fauna Boica’ genoemd (Beierse Fauna). In het eerste deel geeft hij diverse huidige genera.

Kraak 1940. W. Kraak: “Vogeltrek in de Oudheid, in het bijzonder bij Aristoteles”, 1940.

Kramer 1756 (Duitsland -1765). Wilhelm Kramer: “Elenchus Vegetabilium et Animalium per Austriam Inferiorem Observatorum”, 1756, een flora en fauna van Nieder Österreich.

Krook 1988. Hans Krook en Jean-Pierre Biber: “Olof Rudbeck den Jüngeren: Vogelbilder”, 1988. Zie verder bij Rudbeck.

Kroonen 2013. Guus Kroonen: “Etymological Dictionary of Proto-Germanic”, 2013.

-

Lacépède 1799 (Frankrijk 1756-1825). Bernard de la Ville, Comte de Lacépède: “Tableaux Méthodiques des Mammifères et des Oiseaux”, 1799.

Latham 1781, 1785, 1787, 1790 (Engeland 1740-1837). John Latham: “A General Synopsis of Birds”, 1781-1785, drie delen, met Engelse namen. “A Supplement to General Synopsis of Birds”, 1787, een tweede druk in 1802. “Index Ornithologicus, sive Systema Ornithologiae”, 1790, een samenvatting van de General Synopsis, nu wél met binomiale namen à la Linnaeus, maar te laat voor de roem: in 1788/1789 had Gmelin een aantal nieuwe soorten van Latham al van een binomiale naam voorzien (zie ook bij Pennant). Tot slot: “A General History of Birds”, 1821-1828, tien delen.

Leach 1819 (Engeland 1790-1836). William Leach. Appendix II bij John Ross: "A voyage of discovery", 1819. De reis was in 1818, bedoeld om te onderzoeken of een noordwestelijke doorgang boven Canada mogelijk was. Leach was niet mee: hij werkt bij het ‘British Museum of Natural History’, ordent en beschrijft delen van de collectie ervan, schrijft soms een appendix bij een verslag van een van de vele expedities van die tijd.

Lederer 2014. Roger Lederer en Carol Burr: “Latin for Bird Lovers”, 2014. De wetenschappelijke namen.

Leisler 1812, 1814 (Duitsland 1771-1813). Johann Leisler: “Nachträge zu Bechsteins Naturgeschichte Deutschlands”, 1812. Publiceerde ook in de “Annalen der Wetterauischen Gesellschaft für die Gesamte Naturkunde”, 1814.

Lepechin 1770 (Rusland 1737-1802). Ivan Lepechin, reisde door de Oeral en West-Siberië. Publiceerde onder andere in “Novi Commentarii Academiae Scientiarum Imperialis Petropolitanae”, 1770.

Lichtenstein 1823 (Duitsland 1780-1857). Martin Lichtenstein. Schrijft in 1823 in Berlijn een appendix bij ‘Reise von Orenburg nach Buchara’ 1823 van Eduard Eversmann. Toevallig in hetzelfde jaar schrijft hij: “Verzeichniß der Doubletten des zoologischen Museums der Königl. Universität zu Berlin”, 1823, een catalogus van wat men dubbel had: anderen konden die stukken kopen en zo hadden méér ‘onderzoekers van de natuur’ iets aan het bezit van het museum. In de catalogus staan vele voor het eerst beschreven soorten.

Liddell 1968. Henry Liddell en Robert Scott: “A Greek-English Lexicon”, 1968.

Link 1806 (Duitsland 1767-1851). Heinrich Link: “Beschreibung der Naturalien-Sammlung der Universität zu Rostock”, 1806.

Linnaeus 1731. “Methodus Avium Sveticarum”. Het is zijn weinig bekende, eerste ornithologische geschrift, voorloper van Fauna Svecica en Systema Naturae, werd pas in 1907 uitgegeven, door Einar Lönnberg. Het is ook zijn eerste poging tot een systeem. Ná 1731 voegt hij zo nu en dan aantekeningen toe en zo vergroot hij zijn kennis van de vogels. De soorten overigens zijn niet altijd al duidelijk genoeg. Lönnberg denkt dat hij er hier 160-170 had, al heel wat meer dan de 122 die zijn leermeester Rudbeck tekende. Van sommige soorten die Linnaeus in de oude Europese boeken vindt, weet hij daardoor los van Rudbeck dat ze ook in Zweden voorkomen.

Linnaeus 1732. “Linné i Lappland”. De titel is van Bertil Gullander, het boek is uit 1969. Het gaat hier om een selectie van de dagboekaantekeningen die Linnaeus maakte tijdens zijn grote reis door Lapland in 1732, soms aangevuld met fragmenten uit ‘Flora Lapponica’ en enkele andere van zijn geschriften. Hagberg 1944 refereert aan dit reisdagboek als ‘Iter Lapponicum’ en zegt dat er pas in 1889 een Zweedse druk kwam, “naar Ahrlings afschrift van het origineele manuscript in Londen”. James Smith, president van de ‘Linnaean Society’ te Londen, ontvangt uit Zweden, “with the rest of his collection”, het originele manuscript, en maakt daarvan in 1811 een Engelse vertaling: “Lachesis Lapponica or a Tour in Lapland”, twee delen. Smith schrijft dat Linnaeus met ‘Lachesis Lapponica’ naar het reisdagboek verwees. Voor andere aantekeningen die Linnaeus maakte zie bij Gullander 1971.

Linnaeus 1746, 1761. “Fauna Svecica”, een fauna van Zweden (Svecia is een latinisering van Sverige, zoals de Zweden hun land noemen). In 1746 is de eerste editie, in 1761 de tweede.

Linnaeus 1758 (Zweden 1707-1778). Carolus Linnaeus, Carl von Linné: “Systema Naturae”, 1758, de beroemde 10e editie (de bekendste edities zijn die van 1735, 1758 en 1766). Voor het belang ervan zie de Inleiding, in het bijzonder bij het jaar 1758. De beschrijvingen van de soorten in ‘1758’ zijn erg kort, wat Linnaeus zo wilde, maar wat de ‘determinatie’ soms lastig maakte. In ‘Fauna Svecica’ waren ze veel uitvoeriger, en dat hielp vaak bij de bepaling van wat hij in '1758' had, bovendien waren er de tekeningen van Rudbeck, en de verwijzingen naar eerdere schrijvers. Door zijn ‘systeem’ werd Linnaeus beroemd, niet zozeer door zijn kennis van de vogels. Hij vond het overigens zijn taak 'Gods schepping' te ontraadselen, en ‘Systema Naturae’ wás die ontrafeling, vond hij. Soorten zag hij als vaststaand, door God gegeven.

Linnaeus 1766. “Systema Naturae”, de 12e en laatste editie.

Lockwood 1984. William Lockwood: “The Oxford book of British bird names”, 1984.

Longolius 1544 (Nederland 1507-1543). Gybertus Longolius: “Dialogus de avibus, et earum nominibus Graecis, Latinis, et Germanicis”, 1544. Een door Turner te Keulen uitgegeven vogelboekje.

Lowe 1921. Percy Lowe: “Bulletin of the British Ornithologists’ Club”, 1921. In de jaren 1938-1943 was hij de voorzitter van de British Ornithologists’s Union.

Lunczer 2009. Clemens Lunczer: “Vögel in der griechischen Antike”, ‘Eine Untersuchung über Kenntnisse und Wahrnehmung der antiken Vogelwelt”, 2009.

-

Magnus 1555 (Zweden 1490-1558). Olaus Magnus: “Historia de Gentibus Septentrionalibus”, 1555, over de noordelijke volkeren, onder andere de Sami (voorheen de Lappen). Hij beschrijft ook enkele vogels, sommige met de fabels van toen erbij. Van hem is ook de beroemde ‘Carta marina’, de oudste kaart van de noordelijke landen van Europa.

Martens 1675 (Duitsland 1635-1699). Friderich Martens: “Spitzbergische oder Groenlandische Reise Beschreibung”, 1675. Nederlandse vertaling: ‘Nauwkeurige beschryvinge van Groenland of Spitsbergen’, 1710. Het is het verslag van een reis in 1671 naar Spitsbergen (op een walvisvaarder van de Hansestadt Hamburg, onder kapitein ‘Peter Petersen der Friese’). Martens beschrijft circa 15 arctische vogelsoorten.

Mathews & Iredale 1915. Gregory Mathews en Tom Iredale: “On some Petrels from the North-East Pacific Ocean”, een artikel in de ‘Ibis’, 1915 (p.572-609). Ook van Mathews, met medewerking van Iredale, is er: “Birds of Australia”, 1910-1927, twaalf delen.

Mearns 1988. Barbara en Richard Mearns: “Biographies for Birdwatchers”, 1988. Over de naturalisten die in namen terechtgekomen zijn.

Meisner 1804 (Duitsland 1765-1825). Friedrich Meisner: “Systematisches Verzeichnis der Vögel”, de vogels van Zwitserland, 1804.

Ménétries 1832 (Frankrijk 1802-1861). Edouard Ménétries: “Catalogue raisonné des objets de zoologie récueillis dans un voyage au Caucase et jusqu’aux frontières actuelles de la Perse”, 1832, het eerste goede overzicht van de vogels van de Kaukasus.

Merrem 1804 (Duitsland 1761-1824). Blasius Merrem. Hij gaf twee huidige genera in ‘Allgemeine Literatur-Zeitung’ (1785-1849 Jena), jaargang 1804, band 2, nummer 168, pagina 542.

Messerschmidt (Duitsland 1685-1735). Daniel Messerschmidt. Met zijn expeditie naar Siberië in de jaren 1720-1727 begint het natuurhistorisch onderzoek naar het nog grotendeels onbekende ‘continent’. Tsaar Peter de Grote wil het onderzoek, Rusland wil Siberië openleggen. Later volgen Bering, Gmelin, Güldenstädt, Pallas, Lepechin, Steller, enzovoort. Een deel van de wetenschappelijke bevindingen wordt gerapporteerd aan de Academie van Wetenschappen te Sint Petersburg.

Meyer 1810, 1822 (Duitsland 1767-1836). Bernhard Meyer, schrijft samen met Johann Wolf: “Taschenbuch der deutschen Vögelkunde”, 1810, twee delen. Later schrijft hij “Zusätze und Berichtigungen” bij dit Taschenbuch, 1822, min of meer een derde deel.

Michahelles 1830 (Duitsland 1807-1834). Karl Michahelles: “Ueber einige Dalmatinische Vertebraten”, een artikel (p.809-820) in de Isis van 1830, voor de Isis zie bij Oken.

Möhring 1752 (Duitsland 1710-1792). Paul Möhring, ook Moehring. “Avium Genera”, 1752. Een indeling van de vogels in geslachten, wat in die tijd velen proberen te doen. De meeste systemen echter bleken te beperkt van opzet, ook het zijne. Bovendien ‘wint’ later “Systema Naturae” van Linnaeus 1758 , waardoor Möhring sowieso achter het net vist.

Montagu 1798, 1813 (Engeland 1751-1815). George Montagu: “Descriptions of three rare Species of British Birds”, een artikel (p.35-43) in ‘Transactions of the Linnean Society of London’, 1798. Ook: “Ornithological Dictionary”, 1802, twee delen, in Engeland lang een standaardwerk, met in 1813 een supplement. Montagu is ook de eerste die blauwe en grauwe kiekendief helder onderscheidt (beide waren wel al benoemd).

Montin 1781 (Zweden 1722-1785). Lars Montin, leerling van Linnaeus: “Tvänne arter af snöripan”, een artikel in ‘Physiographiska Sälskapets Handlingar’, 1781.

-

Naumann 1811, 1840. Johann Andreas Naumann (Duitsland 1744-1826), en Johann Friedrich, zijn oudste zoon (1780-1857). De vader vangt of schiet vogels, de zoon tekent ze. Dat worden vier delen ‘vogels van Anhalt’, 1795-1803, met acht delen aanvullingen, 1804-1817. Uiteindelijk wordt het vooral een werk van de zoon: “Naturgeschichte der Vögel Deutschlands”, 1820-1844, twaalf delen, daarnaast een los platendeel, het hele werk is volgens velen het beste dat op vogelgebied ooit in Duitsland is uitgebracht (mooie kleurtekeningen, uitvoerige teksten, veel kennis).

Newton 1893-1896. Alfred Newton, schreef samen met Hans Gadow: “A Dictionary of Birds”, 1893-1896. Newton was een van de grondleggers van de British Ornithologist’s Union.

Nielsen 1989. Niels Nielsen: “Dansk Etymologisk Ordbog”, 1989.

Nilsson 1858 (Zweden 1787-1883). Sven Nilsson: “Ornithologia Svecica”, 1817-1821, en “Illuminerade figurer till Skandinaviens fauna”, 1832, en “Skandinavisk Fauna”, ‘Foglarna’, 1858, twee delen, reprint 1980. De eerste uitgave van dit laatste werk was in 1828-1834, de derde en laatste was in 1858. Nilsson beschrijft de Zweedse avifauna in de voetsporen van Linnaeus, diens ‘Fauna Svecica’. De vogelnamen heeft hij in het Zweeds, zoals Pennant Engelse gebruikte, Buffon Franse.

Nozeman 1770, 1789, 1797, 1809, 1829 (Nederland 1720-1786). Cornelis Nozeman: het beroemde "Nederlandsche Vogelen". Nozeman schrijft het eerste deel, voltooit bijna ook het tweede deel. Na zijn dood neemt Houttuyn het werk over, doet ook het meeste van de delen III en IV. Het vijfde deel is waarschijnlijk geschreven door Jan Sepp. Temminck werkte mee bij het totstandkomen van de delen III, IV, V. In de artikelen noem ik alle delen: Nozeman.

-

Oken (Duitsland 1779-1851). Lorenz Oken, oprichter van het beroemde tijdschrift ‘Isis’, de ‘Isis van Oken’, 1817-1848, waarin biologische, natuurwetenschappelijke en natuurhistorische artikelen verschenen, soms ook politieke.

Olson 2007. Roberta Olson en Alexandra Mazzitelli: “The Discovery of a Cache of over 200 Sixteenth-century Avian Watercolors: a missing chapter in the history of ornithological illustration”. Van diverse Europese vogels zaten in de verzameling de waarschijnlijk eerste kleurtekeningen, van de hand van diverse, deels anonieme tekenaars tussen ruwweg 1550 en 1580. Artikel in ‘Master Drawings’, jaargang 45, 2007, p.435-521.

-

Pallas 1764. Vóór zijn grote Ruslandreis (zie Pallas 1771) is hij in 1763-1767 in Nederland, schrijft, mogelijk samen met anderen, een appendix (‘Adumbratiunculae’) bij de catalogus van verzamelaar Adriaan Vroeg (‘Beredeneerde Catalogus’). Vroeg wilde zijn collectie van opgezette soorten verkopen. In de appendix geeft Pallas wetenschappelijke namen voor onder andere soorten die Vroeg had, maar Linnaeus 1758 nog niet. Een deel ervan draagt nu de naam van Pallas. Het grootste deel ervan was volgens Rookmaaker en Pieters (in "Birds in the sales catalogue of Adriaan Vroeg (1764) described by Pallas and Vosmaer", een artikel in ‘Contributions to Zoology’, 4, 2000) afkomstig van Arnout Vosmaer, ook verzamelaar, later directeur van de kabinetten der natuurlijke historie van stadhouder Willem V. Vosmaer schreef de tekst van de catalogus, Pallas nam een deel van zijn namen over toen hij de appendix maakte. Het zou zuiverder zijn wanneer bij deze soorten de naam van Vosmaer zou staan.

Pallas 1769. Een deel van het veertiendelige “Spicilegia Zoologica”, 1767-1780. Pallas publiceert daarin over soorten (niet alleen vogels) die tot dan toe niet beschreven zijn.

Pallas 1770. Een publicatie in “Novi Commentarii Academiae Scientiarum Imperialis Petropolitanae”, de Handelingen van de Academie van Wetenschappen te Sint Petersburg.

Pallas 1771, 1773, 1776, en 1811, I en II (Duitsland 1741-1811). Peter Pallas. Beroemd geworden door zijn grote reis door Rusland en Siberië, 1768-1774. Werd voor de ornithologie van die gebieden de belangrijkste. Het verslag van de reis: “Reise durch verschiedene Provinzen des Russischen Reiches”, 1771, 1773, 1776, drie delen, over land, natuur, mensen. Later werkt hij aan een eveneens driedelig “Zoographia Rosso-Asiatica”, krijgt dat niet af. In 1831 is er het volledige werk, in 1811 zijn er twee copieën van een onvolledige druk van 1807. Na 1900 werd '1811' in de ornithologie ‘geaccepteerd’ voor de naamgeving, omdat Pallas er soorten beschreef die later door anderen 'opnieuw' worden ontdekt: zij zouden anders met de eer gaan strijken.

Payraudeau 1826 (Frankrijk 1798-1865). Charles Payraudeau: “Description de deux espèces nouvelles d’oiseaux”, een artikel (p.460-465) in deel VIII (1826) van de ‘Annales des Sciences Naturelles’ (30 delen, 1824-1833, door Audouin, Brongniart en Dumas).

Pennant 1768 (Engeland 1726-1798). Thomas Pennant: “British Zoology”, 1761-1766 (vier delen), in 1768 een tweede editie, in 1770 een uitgebreidere derde, in 1776 een vierde, in 1812 nog een. Niet alleen vogels. Hij geeft Engelse namen, geen binomiale, zie ook bij Latham, en bij Nilsson. Ook schrijft hij: “Genera of Birds”, 1773, en “Arctic Zoology”, 1784-1785 (twee delen, met in 1787 een supplement).

Phipps 1774 (Engeland 1744-1792). Constantine Phipps, in 1773 leider van een scheeps-expeditie naar de Noordpool, die echter niet verder dan Spitsbergen kwam. In 1774 publiceert hij daarover “Voyage towards the North Pole”.

Pitiscus 1738. Samuel Pitiscus: “Lexicon Latino-Belgicum novum”, 1738, twee delen. Het woordenboek laat zien hoe men in die tijd in Nederland het Latijn vertaalde.

Plinius (Rome ca.23-79). Gaius Plinius Secundus, ook Plinius Maior (‘de Oudere’). Geboren in Comum, nu Como, opgevoed in Rome, komt om bij de uitbarsting van de Vesuvius. “Historia Naturalis”, 102 delen, waarvan er 37 bewaard zijn. Het was een encyclopedie van ‘alles’, op grond van uittreksels van honderden boeken. Deel X zijn de vogels. Geen classificatie, alles in willekeurige volgorde. Hij neemt veel over van Aristoteles en van andere Grieken. Tot 1500 is het een belangrijk werk, vooral doordat Aristoteles weinig bekend is. Meer dan bij Aristoteles is het een mengeling van feiten en fantasie, en dat had grote invloed op de werken van latere middeleeuwse schrijvers. Wel is ‘Plinius’ al die tijd een van de weinige toch ook wetenscháppelijke bronnen. Na 1500 begint in de ornithologie een nieuwe tijd, met Turner, Belon, Gesner, Aldrovandi.

Pollard 1977. John Pollard: “Birds in Greek life and myth”, 1977. De vogels bij de oude Grieken.

Pontoppidan 1763 (Denemarken 1698-1764). Erik Pontoppidan: “Den Danske Atlas”, 1763. Ook: “Forsøg paa Norges naturlige Historie”, 1753, Duitse vertaling: “Versuch einer natürlichen Historie von Norwegen”, 1754. Zie ook bij Brünnich.

-

Rafinesque 1810 (... 1783-1840). Constantine Rafinesque Schmaltz: “Caratteri di alcuni nuovi generi e nuove specie di animali e piante della Sicilia”, 1810.

Ray 1678, 1694 (Engeland 1627-1705). John Ray. Werkt nauw samen met Francis Willughby (1635-1672), de twee worden vaak in één adem genoemd ('Willughby en Ray'). Hun grote werk is de “Ornithologia” van 1676, de ‘Ornithologiae libri tres’, door Ray samengesteld op grond van aantekeningen van de jong gestorven Willughby, die als de schrijver ervan wordt gegeven (het bevat ook materiaal van Ray, mogelijk ook méér dan van Willughby). In 1678 komt een vertaling door Ray: “The Ornithology of Francis Willughby”, met aanvullingen. In 1694 is er van Ray de “Synopsis”, voluit ‘Synopsis methodica avium et piscium’, voltooid in 1694, uitgegeven in 1713. In de jaren 1663-1666 reisden ze samen door Europa. Ze worden soms als het échte begin van de ornithologie gezien, doordat ze (Ray vooral) de vogels overzichtelijk classificeren (maar zeker Belon 1555 deed dat al). Het nieuwe is dat ze meer naar de vorm kijken, naar verschillen in bouw, grootte, snavel, poten. Ze combineren deze met verschillen in biotoop, voedsel, enzovoort, en dat levert schema’s op, waardoor vogels makkelijker te plaatsen zijn: er ontstaan goed gedefinieerde groepen. Linnaeus baseert zijn systeem er voor een deel op (maar zijn indeling is minder verfijnd). Voor de planten ontwierp Ray ook een systeem.

Reichenbach 1850, 1853 (Duitsland 1793-1879). Ludwig Reichenbach: “Avium systema naturale”, ‘Das natürliche System der Vögel’, 1850. Daarnaast: “Handbuch der speciellen Ornithologie”, 1851-1853, vijf Lieferungen (delen), waarvan Lieferung 3 nog bij ‘Avium’ hoorde.

Rey 1984. Louis Rey, editor: “Unveiling the Arctic”, 1984. Artikelen in boekvorm van een conferentie van 1981 over de ontdekking van het Noordpoolgebied, de reizen ernaartoe, de kaarten erover, enzovoort.

Rudbeck (Zweden 1660-1740). Olof Rudbeck de Jongere, belangrijk leermeester van Linnaeus, zoon van Olof Rudbeck de Oudere (1630-1702), beroemd Zweeds botanicus en anatoom. Rudbeck de Jongere maakt in 1695 een grote reis naar Lapland, de eerste wetenschappelijke expeditie naar het nog grotendeels onbekende gebied. Schrijft daarover ‘Dagbok från Lapplandsresan 1695’. Maakt tussen 1690 en 1710, vooral door wat hij in Lapland ziet, een van de eerste grote reeksen kleurtekeningen in de ornithologie (ruim 120 soorten, diverse in meer dan een kleed). Van zijn materiaal gaat veel verloren bij de grote brand van Uppsala in 1702; de tekeningen blijven gespaard, maar pas in 1987 komt er een boekuitgave: tot dan kent vrijwel niemand ze. Toch heeft zijn werk invloed, doordat op de colleges die hij in de jaren 1727-1729 te Uppsala geeft, ene Linnaeus aanwezig is. Deze waardeert de tekeningen, en leert ook via de verhálen van Rudbeck diverse vogelsoorten kennen. Van de nieuwe soorten in ‘Fauna Svecica’ zijn er ongeveer dertig aan Rudbeck ontleend. Een boek over de tekeningen is Krook 1988, zie aldaar. Zie ook Gullander 1971.

Rüppell (Duitsland 1794-1884). Eduard Rüppell: op een reis in de jaren 1821-1827 door het stroomgebied van de Nijl ontdekt hij vele nieuwe soorten, niet alleen vogels. De vogels worden beschreven door Philipp Cretzschmar, zie aldaar.

Rzaczynski 1721 (Polen 1664-1737). Gabriel Rzaczynski: “Historia Naturalis Curiosa Regni Poloniae”, 1721, met in 1736 een Auctarium, een toegift.

-

Savi 1824 (Italië 1798-1871). Paolo Savi: een artikel in ‘Nuovo Giornale de’ Letterati Num. XIV’, 1824. Ook “Ornitologia Toscana”, 1827-1831, en “Ornitologia Italiana”, 1873-1876, een postume uitgave.

Savigny 1809 (Frankrijk 1777-1851). Jules-César Savigny: ‘Système des Oiseaux de l’Égypte et de la Syrie’, p.63-114 van zijn “Description de l’Égypte”, deel I, 1809. Zijn naam zit bij diverse genera van roofvogels. Hij was gespecialiseerd in Egypte.

Schlegel (Nederland 1840-1903). Gustaaf Schlegel, zoon van de beroemde Hermann Schlegel (1804-1884) die door Temminck naar Nederland was gehaald, later wordt hij een internationaal bekend ornitholoog.

Schrijver 1997. Peter Schrijver: “Animal, vegetable and mineral: some Western European substratum words”, een artikel in Lubotsky 1997: ‘Sound law and analogy’.

Schwenckfeld 1603 (Duitsland 1563-1609). Caspar Schwenckfeld: “Theriotropheum Silesiae”, 1603, de eerste regionale fauna. Boek IV daarvan is: ‘Aviarium Silesiae’, de vogels van Silezië.

Scopoli 1769, 1777, 1786 (Italië 1723-1788). Giovanni Scopoli. Doet vooral onderzoek in de Alpen. “Annus Historico-Naturalis”, ‘Descriptiones Avium’, 1769, drie delen (in 1770 deel IV, in 1772 deel V). Ook: “Introductio ad Historianum naturalem”, 1777. En: “Deliciae florae et faunae insubricae”, 1786-1788.

Seebohm 1882 (Engeland 1832-1895). Henry Seebohm: “The Birds of Siberia”, ‘To the Petchora valley’, 1882, heruitgave 1985.

Selby 1833, 1840 (Engeland 1788-1867). Prideaux Selby: “Illustrations of British Ornithology”, 1821-1834. Samen met William Jardine schrijft hij: “A catalogue of the generic and sub-generic types of the class aves, birds, arranged according to the natural system”, 1840.

Shelley 1870 (Engeland 1840-1910). George Shelley: over Apus pallidus, een aankondiging in de ‘Ibis’, 1870 (p.445-448). Schrijft ook: “A Handbook to the Birds of Egypt”, 1872.

Sibbald 1684 (Schotland 1641-1722). Robert Sibbald: “Scotia Illustrata”, 1684, over de natuur van Schotland.

Snow 1998. D. Snow, C. Perrins: “The Birds of the Western Palearctic”, 1998. Het is de ‘Concise Edition’, in twee delen, van Cramp 1977-1994: ‘Handbook of the birds of Europe, the Middle East and North Africa: the birds of the Western Palearctic’, negen delen.

Springer 2009. Katharina Springer en Ragnar Kinzelbach: “Das Vogelbuch von Conrad Gessner”, 2009. Een herwaardering van Gesner 1555, waarvan door de tekortkomingen bij Horst 1669 (zie ook bij Gesner 1555), en de vaak slecht overgenomen of elders vandaan gehaalde afbeeldingen, een vertekend beeld was ontstaan. In ‘De avium natura’ van 2007, haar proefschrift, maakte Springer een begin. Het is opgenomen in het boek van 2009. Ze gaat uit van Gesner 1585, waarin enkele nieuwe soorten stonden, vergeleken bij Gesner 1555. Ze geeft veel materiaal, en vaak goede analyses, maar zegt over bepaalde soorten te makkelijk dat Gesner ze had, zie mijn artikelen.

Staav 1991. Roland Staav en Thord Fransson: “Nordens Fåglar”, 1991. De vogels van Scandinavië.

Stejneger 1882, 1885 (Noorwegen 1851-1943). Leonhard Stejneger: het artikel “On some generic and specific appellations of North American and European birds”, p.28-43 in ‘Proceedings of the United States National Museum’, 1882. Hij schrijft ook grote delen van het in 1885 uitgekomen deel IV over de vogels van “The Standard Natural History”, samengesteld door John Kingsley.

Stephens 1819, 1826 (Engeland 1792-1852). James Stephens: schrijft in de jaren 1815-1826 de zes laatste delen van het zestiendelige “General Zoology” van George Shaw (1751-1813).

Storr 1784 (Duitsland 1749-1821). Gottlieb Storr: “Alpenreise vom Jahre 1781”, 1784-1786, twee delen.

Stresemann 1951. Erwin Stresemann: “Die Entwicklung der Ornithologie”, 1951, reprint 1996. Een geschiedenis van de ornithologie.

Strickland 1837 (Engeland 1811-1853). Hugh Strickland: “Rules of Zoological Nomenclature”, en: “The Dodo and its Kindred”, voor '1837' zie het artikel over Hippolais olivetorum.

Sundevall 1837, 1863 (Zweden 1801-1875). Carl Sundevall: “Foglar från Calcutta”, een artikel (p.54-96) in het tijdschrift van het Physiographiska Sällskapet te Lund, Zweden, volume I, 1837. Ook: “Die Thierarten des Aristoteles”, 1863, een vertaling van het Zweedse origineel van 1862.

Suolahti 1909. Hugo Suolahti: “Die deutschen Vogelnamen”, 1909.

Svensson 2000, 2010. Lars Svensson en anderen: “ANWB Vogelgids van Europa”, 2000, vierde editie 2010.

Swinhoe 1863 (Engeland 1836-1877). Robert Swinhoe: “On new and little-known birds from China”, een artikel (p.87-94) in ‘Proceedings of the Zoological Society of London’, 1863.

-

Temminck 1815, 1820, 1823, 1829, 1835, 1840 (Nederland 1778-1858). Coenraad Temminck, in 1820 de eerste directeur van het Museum voor Natuurlijke Historie te Leiden (nu Naturalis). Beroemd wordt hij ook door zijn “Manuel d’Ornithologie” 1815, vooral door de uitgebreide tweede editie van 1820 (de eerste twee delen), 1835 (derde deel), 1840 (vierde deel), alle in het Frans. Ook vijf delen “Nouveau recueil de planches coloriées d’oiseaux”, 1820-1839, een vervolg op de ‘Planches Enluminées’ zie bij Boddaert 1783. Hoewel Temminck geen veldornitholoog is, heeft zijn ‘Manuel’ grote invloed en is hijzelf in Europa lang de meest gezaghebbende ornitholoog. Hij benoemt ook vele nieuwe soorten.

Thompson 1936. D’Arcy W. Thompson: “A Glossary of Greek Birds”, eerste editie 1895, de tweede 1936. De vogels bij de oude Grieken.

Titius 1755 (Duitsland 1729-1796). Daniel Titius, in het Duits Tietz: “Parus minimus, Polonorum Remiz, Bononiensium Pendulinus, descriptus”, 1755, de eerste uitvoerige beschrijving van de buidelmees, met in 1757 een korte Duitse versie in het ‘Hamburgisches Magazin’ (p.227-252).

Tunstall 1771 (Engeland 1743-1790). Marmaduke Tunstall: “Ornithologia Britannica”, 1771.

Turner 1544 (Engeland ca.1500-1568). William Turner: “Avium historia”, voluit: ‘Avium praecipuarum, quarum apud Plinium et Aristotelem mentio est, brevis et succincta historia’, 1544. Zoals meer schrijvers in die tijd probeert Turner te bepalen welke vogels Aristoteles en Plinius hadden, met hun namen en beschrijvingen. Ook relateert hij ze aan de soorten die hij van Engeland kent, en hij ziet dat de Ouden niet álle vogels kenden (net als Belon 1555 wil Turner zélf waarnemen en onderzoeken). Hij betrekt er ook vogels van Duitsland bij: trekt door Europa, leeft een tijd in Keulen. Raakt in Zwitserland bevriend met Gesner (in Nederland met Longolius). Krijgt namen van Gesner, en Gesner krijgt er van Turner (en de bevindingen van Turner citeert hij uitvoerig).

-

Van Cantimpré ±1240 (Vlaams Brabant 1201-1272). Thomas Cantimpratensis: “De Natura Rerum”, circa 1240. Uitgave 1973. Hij baseert zich op de oude religieuze traditie (de ‘Physiologus’, bisschop Ambrosius, Isidorus van Sevilla, enzovoort), maar ook op de wetenschap (Aristoteles, Plinius). Na Aristoteles en Plinius is er rond de derde eeuw de ‘Physiologus’, een anoniem en vroegchristelijk Grieks werk, het bekendste voorbeeld van een ‘bestiarium’. Het zijn natuurverhalen zoals de Kerk ze graag ziet: de dieren worden theologisch geduid (de veldleeuwerik stijgt ten hemel om de Lof des Heren te zingen), en zo wordt de Physiologus hét leerboek van de christelijke zoölogie. Maar Van Cantimpré kijkt dus ook verder. Zie ook bij Von Megenberg ±1350.

Van Maerlant ±1266 (Vlaanderen ca.1235-ca.1300). Jacob van Maerlant: “Der Naturen Bloeme”, ±1266. Hij vertaalt en bewerkt ‘De Natura Rerum’ van Van Cantimpré. Het is de eerste encyclopedie van de natuur in een volkstaal.

Van Veen 1997. P. van Veen en N. van der Sijs: “Etymologisch woordenboek”, 1997.

Van Veldhuizen 1928. A. van Veldhuizen: “De vogelen des hemels”, 1928. Over de Bijbel en de vogels.

Vasmer 1964-1973. Max Vasmer: “Etimologitsjeskij slovar roesskogo jazuka”, de Russische vertaling door Oleg Troebatsjev van Vasmers “Russisches Etymologisches Wörterbuch”, 1950-1958.

Vieillot 1807, 1809, 1816, 1817, 1818, 1819, 1820, 1822 (Frankrijk 1748-1831). Louis Vieillot. Beschrijft veel nieuwe soorten. En een deel van zijn genera wordt ook nog gebruikt. “Histoire naturelle des oiseaux de l’Amérique septentrionale”, 1807-1809, twee delen. “Analyse d’une nouvelle Ornithologie élémentaire”, 1816. De teksten over de vogels in “Nouveau Dictionnaire d’Histoire Naturelle”, 1816-1819, zesendertig delen. Ook is hij een van de schrijvers van “Tableau encyclopédique et méthodique des trois règnes de la nature”, 1788-1823. Verder: een artikel in “Memoires de la Societé Linnéenne”, 1822. En hij was een van de schrijvers van “Faune Française”, 1820-1830, acht delen.

Vincelot 1867. L’abbé Vincelot: “Les noms des oiseaux”, 1867.

Von Homeyer 1885 (Duitsland 1809-1889). Eugen von Homeyer: “Der Kaukasische Fliegenfänger Muscicapa Semitorquata Nov. Sp.”, een artikel (p.185-186) in 'Zeitschrift für die gesammte Ornithologie', jaargang 1885.

Von Megenberg ±1350 (Duitsland ca.1309-1374). Konrad von Megenberg: “Von dem Gefügel in ainer gemain”, een hoofdstuk uit ‘Das Buch der Natur’, eerste druk 1475. Het was een bewerking van ‘De Natura Rerum’ van Van Cantimpré ±1240. Het is de eerste ‘historie van de natuur’ in het Duits. Met minder soorten dan Van Cantimpré. En de duidingen zijn christelijker.

Von Wright. Magnus, Wilhelm, Ferdinand, broers die in de 19e eeuw door hun vogeltekeningen beroemd worden. Van oorsprong waren ze Schots, de familie was in de tijd van Cromwell gevlucht. Een overzicht van hun werk is Anto Leikola en anderen: “Bröderna von Wrights Fåglar”, 1989, een vertaling uit het Fins.

Voous 1960. Karel Voous: “Atlas van de Europese vogels”, 1960.

-

Walde 1954. Alois Walde, Johann Hofmann: “Lateinisch Etymologisches Wörterbuch”, 1954.

Walters 2003. Michael Walters: “A Concise History of Ornithology”, 2003.

Wember 2007. Viktor Wember: “Die Namen der Vögel Europas”, 2007. Over de Duitse en de wetenschappelijke namen.

White 1788 (Engeland 1720-1793). Gilbert White, geboren in het Zuid-Engelse Selborne, later kapelaan in diverse parochies in die regio. Is een van de eersten die veldstudie voorop stelt. Wat hij in het veld aantreft beschrijft hij in brieven aan Thomas Pennant en Daines Barrington. Een selectie daarvan wordt in 1788 uitgegeven als “The natural history of Selborne”, een van de bekendste boeken uit de ornithologie, in Engeland nog steeds een geliefd werk. White zal ook bekend blijven doordat hij als eerste fitis, tjiftjaf en fluiter helder onderscheidt, zie bij Phylloscopus.

Willughby 1676 (Engeland 1635-1672). Francis Willughby: “Ornithologia”, 1676. Zie bij Ray 1678.

Wolf 1810 (Duitsland 1765-1824). Johann Wolf. Zie bij Meyer 1810.

Worm 1655 (Denemarken 1588-1654). Ole Worm, gelatiniseerd Olaus Wormius. Begint in Kopenhagen een museum, met onder andere vogelbalgen. Schrijft als catalogus van zijn eigen museum: “Museum Wormianum, seu Historia rerum rariorum”, 1655.

-

Yarrell 1830, 1843 (Engeland 1784-1853). William Yarrell. Over '1830' is men het eens, maar inhoudelijk zijn er onduidelijkheden, zie bij Cygnus bewickii. Op het terrein van de vogels is zijn grote werk: “History of British birds”, 1843, in 1837-1843 in tweemaandelijkse afleveringen uitgekomen, later in drie delen uitgegeven: 1843 I, II, III. Een prettige schrijfstijl maakte de boeken populair.