Photo credit: Kentish Plumber via Visual hunt / CC BY-NC-ND

Turdus merula Linnaeus 1758. Eng. blackbird. Ned. merel.

Latijn merula was bij de Romeinen de merel. Frans merle en Nederlands merel ontstonden eruit. In vele vormen werd het in delen van Europa de dominante naam voor de soort. Voor hoe men merel en líjsters zag, zie bij turdus.

Voor de betekenis dachten Romeinse schrijvers aan Latijn merus: zuiver, ‘zonder toevoeging’. Varro zag merus daarbij als: alleen, ‘zonder anderen’. Houttuyn 1763 had het nog: “De naam van deezen Vogel is, zo men wil, daar van afkomstig, dat hy alleen vliegt, niet by schoolen” (p.492). Ook is gedacht dat merula een kleuraanduiding kon zijn, door datzelfde merus, merula dan ‘de zwarte’: kleur ‘zonder toevoeging’. Maar merula hoort niet bij merus. ‘Dus’ is gedacht aan verwantschap met mees, of met morel (een kers die de merel soms eet), aan herkomst uit Grieks melas: zwart, of uit een *mei-s-: schreeuw, geweeklaag. Geen van deze ideeën overtuigde echter. Perspectief kwam er toen men bedacht dat er een gróep namen was: Latijn merula, Welsh mwyalch, Duits amsel (Oudhoogduits amsla/amsala), volgens etymologen uit respectievelijk *mesula, *misalkâ, *amslôn/*amuslôn, en de grondvorm zou *mes’l zijn.

Lockwood 1984 opperde zwart als betekenis daarvan, “as is usual with Blackbird names in any language” (p.112). Schrijver 1997: “the word for ‘blackbird’ is a loanword of non-IE origin” (p.308), non-IE: niet-Indo-Europees, de naam ‘geleend’ van een volk met een niet-Indogermaanse taal, en daardoor met een niet zomaar te begrijpen betekenis. Voor amsla/amsala komt hij op een stam *amsl-/*amsVl-, voor merula en mwyalch op *mesVl-. Beide ontstonden uit een non-IE stamwoord. Met een opvallende begin-A, denkt Schrijver. Trad deze op, dan werd het woord korter: *a-m(V)sl-, leidend tot amsla/amsala. Trad deze niet op, dan bleef het woord lang: *mesal-, leidend tot merula en mwyalch. Mogelijk was deze A een lidwoord en werd dat in het Germaanse taalgebied méégeleend. Een vergelijkbaar idee trouwens, ook van Schrijver, zit bij het genus alauda.

Schrijver oppert geen oervorm van de naam. Een betekenis ook niet. Er valt alleen te speculeren: over oude, niet-Indogermaanse talen is weinig bekend, omdat de meeste niet opgetekend zijn. Speculerend dan: de oernaam kan misschien ‘fluiter’ hebben betekend, naar de opvallende, fluitende zang van de merel. In Engels whistle namelijk, klanknabootsend gevormd, zitten ongeveer dezelfde klanken. Hoe het niet-Indogermaanse volk ‘zwart’ noemde, dat kunnen we niet weten, maar hoe zij floten, dat zal op dat van ons hebben geleken.