Photo credit: JanetandPhil via Visual hunt / CC BY-NC-ND

Gavia immer (Brünnich 1764: Colymbus immer). Eng. great northern diver. Ned. ijsduiker.

Immer is een Scandinavische naam voor de ijsduiker. In vele varianten. Brünnich geeft bij colymbus immer onder andere Noors imber, ømmer, havimmer (hav: zee) en embergaas (gaas: gans). De namen gaan terug op Oudnoords himbrin. De etymologie is minder duidelijk.

Waarschijnlijk had Gesner 1555 de ijsduiker al, als colymbus maximus: zeer grote duiker. Daarna vind je hem bij Clusius 1605, en net als bij Gesner: het winterkleed. Worm 1655 neemt de gegevens van Clusius over, maar heeft ook IJslands himbryne, én een etymologie: zijn oud-leerling Stephanus Olavius dacht aan ‘hemelpantser’ (IJslands himinn: hemel, brynja: pantser - huidige schrijfwijze). Voor de gevarieerdheid van de kleuren, voegt hij toe. Het zomerkleed, de witte ‘blokjes’ op de rug? Maar Clusius en Worm lijken alleen het winterkleed te hebben gekend - en in de uitleg komt Worm er dan ook niet goed uit. Ter ondersteuning geeft Worm het IJslands gezegde “Himbrynn hafa himneskan lit, en helvitska röddi”: ‘de ijsduiker heeft een hemelse kleur, maar een helse stem’ (p.303). Hier zit wél het zomerse: het indringende ‘lachen’. Albin 1738 overigens lijkt de eerste kleurtekening van een ijsduiker in zomerkleed te hebben gemaakt (“The great Sea Loon from Newfoundland”).

Lockwood 1984, bij ember goose, heeft een heel ander idee. Hij denkt dat Oudnoords himbrin een schrijffout is, dat er himbrimi moet staan, de huidige IJslandse naam voor de soort (in het IJslands is het Oudnoords vrij goed bewaard). Hij denkt dat himbrimi ‘bruller in de branding’ is. Brim is inderdaad branding, him legt hij niet uit. Bezwaar: een vogelnaam eindigt niet op branding (of op zee, berg, moeras). Ook: ijsduikers hoor je in het binnenland, op de meren waar ze broeden (maar soms inderdaad ook op zee).

Een klanknabootsing zal himbrimi niet zijn, daarvoor staat de naam te ver van de geluiden af. Misschien zit er Oudnoords brimir: zwaard, een afleiding bij brimi: vuur. Ook een zwaard ‘vlamt’: schittert in de zon. Het kan dan om genoemd zomerkleed gaan, de witte veldjes op de rug, schitterend in de zon. Verder is er Noors him: dun laagje wolken, rijp, of sneeuw, en zoiets hééft de vogel, op die rug (De Vries 1962 had dit al als deel van een mogelijke etymologie). Klopt dit, dan is himbrimi twee keer een toespeling op de witte veldjes. En staat er: vogel met glinsterende witte wolkjes op de rug.

-

Enkele andere namen voor de ijsduiker (de codes zie op Home):

(U) Noord-Amerikaans greenhead, voor de donkergroene weerschijn op kop en hals.

(U) Färöers havgás, zeegans, gans voor de grootte, hier nóg beter passend dan in Deens hav-gasse voor de roodkeelduiker, zie aldaar. Sibbald 1684 had voor de ijsduiker anser nostratibus: onze gans.

(G) Quebecs huart, schreeuwer, voor de spectaculaire geluiden, zie ook de klanknamen bij het genus.

(V) Colymbus glacialis, Linnaeus 1766 - “Habitat in Mari arctico”, de Noordelijke IJszee (p.222) - de naam vertaald tot Duits eistaucher, N ijsduiker.