Photo credit: Bodvar Eggertsson via Visualhunt.com / CC BY-NC

Fulmarus glacialis (Linnaeus 1761: Procellaria glacialis). Eng. fulmar. Ned. noordse stormvogel.

Men kan procellaria glacialis opvatten als ‘bij het ijs levende stormvogel’ (Latijn glacies: ijs, glacialis: van het ijs, voor procellaria zie bij hydrobates pelagicus). De naam wérd zo ook opgevat, gaf Duits eissturmvogel, wat later tot Nederlands ijsstormvogel leidde. Maar de noordse stormvogel mijdt het ijs, de grote velden pakijs althans. Zeelui die met hun schip in het noordelijke ijs vast kwamen te zitten, wisten dat er hoop op open water was als ze noordse stormvogels zagen (pijlstormvogels komen niet zo noordelijk). Linnaeus bedoelde: vogel van de Noordelijke IJszee, Oceanus glacialis, zoals de Romeinse dichter Juvenalis deze noemde.

Linnaeus’ oudste bron voor de vogel is Martens 1675, zie ook bij fulmarus. Door hém weet hij dat de vogel in het hoge Noorden leeft. Ook leest hij in de verhandelingen van de Zweedse Academie van Wetenschappen een artikel uit 1759 van zijn landgenoot Anton Martin: 'Beskrifning på en Procellaria, som finnes vid Norrpolen'. Net als Martens ziet Martin de vogel bij Spitsbergen. Hij geeft geen naam, geeft alleen maar: ‘een procellaria’. Linnaeus schrijft daardoor: “Habitat in mari septentr. intra circulum arcticum”, ‘Leeft in de noordelijke zee, binnen de poolcirkel’ (p.51). In 1766 laat hij glacialis beter uitkomen: “Habitat in Mari glaciali” (p.213).

In de 17e eeuw is het Schotse eiland St. Kilda, zie bij het genus, het zuidelijkste broedgebied van de noordse stormvogel. Buffon 1770-1783 noemt de vogel pétrel de l’île de saint-kilda. Later komt een opmerkelijke zuidwaartse beweging op gang. Inmiddels broedt de noordse stormvogel in grote aantallen rond de Britse Eilanden en is glacialis een herinnering aan oude tijden.

-

Enkele andere namen voor de noordse stormvogel (de codes zie op Home):

(U) Frans pétrel cendré, asgrijze stormvogel, een naam in Brisson 1760, voor het asgrijze kleed.

(U) Russisch toeloepan, waarin toeloep zit: een pels van schapenvacht. Denkt men daarbij aan een grijze, of aan een die grijs en beige is, dan is toeloepan een naam voor de grijze vleugels en rug, eventueel staart. De noordse stormvogel echter kent naast deze aan West-Europese kusten bekende lichte vorm ook een geheel grijze donkere vorm, de blue fulmar, en in een aantal van de Russische kolonies is dit de dominante vorm (Ilitsjev 1985). Die is dan in z’n geheel zo’n pels. Misschien speelde het ogenschijnlijk wat fluwelige van het kleed van de vogel ook een rol.

(G) Noors makrelmåge: makreelmeeuw. Vaak staat vis op het menu.

(G) Noors stivvinge: stijf-vleugel (vergelijk Engels wing: vleugel). Het is een naam voor de typerende stijve glijvlucht.

(G) Sami čalki, Noors kjalk, Zweeds tjalk, deze laatste bij Zweedse Noordzeevissers. Het zullen namen zijn voor hun kakelende geluiden, een broedkolonie lijkt een kakelendekippenkolonie.

(G) Fries mallemok: dwaze meeuw, zie bij fulmarus. Door hun onbevreesde gedrag noemden zeevaarders de vogels dom, of mal: gek, dwaas. Noors havkop, betekent waarschijnlijk ‘zeegek’, Noors kop kan stomkop betekenen, gek, zot (hav is de zee). Officieel Russisch gloepusj: de domme, de naam is gevormd bij gloepuj: dom (Ilitsjev 1985 vermeldt nog de ondersoort fulmarus glacialis glupischa, de naam is van Stejneger 1884).

(?) Noors havhest, zeepaard, in 1599 hafhest, een beroemde naam voor de noordse stormvogel. Misschien werd hij gegeven voor het uiterlijk, voor dikke hals en dikke kop (Noorse vissers, die de vogels op zee tegenkwamen, zeiden misschien: ‘wat een dikke meeuw! het lijkt wel een paard!’). Volgens Pontoppidan 1753 echter was het een naam voor gedrag en geluid (hun gekakel, zie hierboven - waardoor men aan hinniken dacht?). Mogelijk speelde de havhest van de Scandinavische mythologie ook een rol, een zeeslang, half paard: in het bijgeloof namen watergeesten soms de vorm van een paard aan. De vissers zagen de vogels niet váák, en áls, waarschijnlijk ver op zee, en bijgeloof doet dan de rest.