Photo credit: Magnus_Lindberg on Visualhunt.com

Podiceps auritus (Linnaeus 1758: Colymbus auritus). Eng. slavonian grebe. Ned. kuifduiker.

De kuifduiker is een ‘geoorde’ (Latijn auris: oor). De naam is gegeven voor de oranjegele koppluimen van het zomerkleed, waarin men oortjes kan zien. De geoorde fuut, podiceps nigricollis, heeft ze iets duidelijker, en juist deze had auritus mogen heten, maar de kuifduiker werd éérder benoemd.

Linnaeus neemt auritus over van Edwards 1747 die de kuifduiker beschrijft op grond van een exemplaar op een vijver bij Londen (beslist niet de geoorde fuut, zoals soms geschreven wordt). Edwards noemt hem eared dobchick, geoorde dodaars, en podicipes auritus (voor de vorm podicipes zie bij podiceps) (voor dobchick - vaker dabchick - zie bij tachybaptus ruficollis). Later ontvangt hij een exemplaar van de Hudsonbaai en noemt hem, naast colymbus cornutus, gehoornde duiker (voor colymbus zie de genera gavia en tachybaptus), ook colymbus auritus (Houttuyn 1763 vertaalt met geoorde duiker). Van beide vogels geeft Edwards een duidelijke kleurtekening (kuifduiker zomerkleed).

Linnaeus neemt colymbus auritus over, maar kende de vogel al van zijn leermeester Olof Rudbeck (1660-1740), die er de éérste kleurtekening van maakte. Rudbeck had er Zweeds lapp-öra bij, lap-oor, wat natuurlijk bij auritus paste.

Mogelijk had Van Cantimpré ±1240 de kuifduiker al: onder mergus, duiker, noemt hij er een met rode veren op de kop, wat een vrouwtje grote of middelste zaagbek zou kunnen zijn, maar hij schrijft ook ‘dat ze hem cornutus noemen’, gehoornd dus, en dan was het misschien de kuifduiker.

-

Enkele andere namen voor de kuifduiker (de codes zie op Home):

(U) Noord-Amerikaans pink-eyed diver. Vergelijk occhio lucente bij de geoorde fuut, podiceps nigricollis.

(U) Zweeds örondopping: oorduiker, kon ook een naam zijn voor de geoorde fuut, maar die zit zo noordelijk nauwelijks.

(U) Frans petit grèbe cornu: kleine gehoornde fuut, klein omdat hij kleiner is dan de fuut, die soms grèbe cornu wordt genoemd. Beide namen komen uit Buffon 1770-1783. De geoorde fuut kende men nog niet, anders had deze ook zo kunnen heten.

(G) Noors kavfugl, een naam voor het duiken (Noors kavbåt is de duikboot). Noord-Amerikaans devil-diver. Dit naamtype, zoals ook hell-diver en water-witch, gaf men voor soorten waarvoor water hét element is waarin ze zich thuis voelen (onder andere dus de kuifduiker). Pearson 1936, ‘Birds of America’, schrijft bij podilymbus podiceps, de Noord-Amerikaanse dikbekfuut: “It is at home in the water to an astonishing degree, in fact ‘Water-witch’ is one of the favorite local names by which it is known”, waarna een beschrijving van die ‘degree’ volgt. Maar dit geeft nog geen verklaring voor hell of witch. Daarvoor zie poganka bij podiceps.

(G) IJslands flórgođi'opperhoofd van de moerassen', gođi betekende opperhoofd (Gröndal 1887, ‘Isländische Vogelnamen’: "flórgođi bedeutet [...] den gođi oder Häuptling der Sümpfe”, p.591). Gröndal denkt dat het opperhoofd in de naam zit vanwege de 'aufrechte Stellung' van de vogel. Waarschijnlijk bedoelde hij de opgerichte houding tijdens de balts (tegenover elkaar omhoog staan, men kent dat alleen van de kuifduiker, de enige van de futen die op IJsland voorkomt). Het opperhoofd had er misschien ook kunnen zitten vanwege de zomerse tooi.

(V) Engels slavonian grebe, uit Frans grèbe d’esclavonie, slavische fuut, een naam bij Buffon 1770-1783, geen uitleg. Mogelijk had hij een exemplaar dat uit het Slavische deel van Europa kwam.