Photo credit: NTNU, Faculty of Natural Sciences via Visual Hunt / CC BY

Cygnus cygnus (Linnaeus 1758: Anas cygnus). Eng. whooper swan. Ned. wilde zwaan.

Grieks kuknos was bij de Grieken een algemene naam voor ‘zwaan’, al werd er misschien vooral de knobbelzwaan mee bedoeld (voor de etymologie van de naam zie bij cygnus). In grote delen van Europa was de knobbelzwaan, cygnus olor, altijd de bekendste van de zwanen, in bepaalde delen vooral doordat men ze hield. In grote delen van Scandinavië echter is juist de wilde zwaan dé zwaan, en zo komt, door de Zweed Linnaeus, de naam bij die soort terecht. Linnaeus heeft het over ‘geel op de snavel’. En in zijn ‘Fauna Svecica’ van 1746 schrijft hij, deels op grond van eigen ervaringen, dat men ze in de zomer alom op de rivieren van Lapland ziet (“passim in Lapponiae fluviis aestate”, p.32). ‘Meren en moerassen’ was beter geweest, maar 'Lapland' hield in dat het in elk geval niet de kleine zwaan was: in Scandinavië broedt deze niet. Hij schrijft trouwens ook: ‘veel bij Malmö’, wat op de knobbelzwaan duidt. Linnaeus kent ook deze, ziet er alleen geen soort in.

Magnus 1555 is in de ornithologie waarschijnlijk de eerste die de wilde zwaan heeft, ziet idem geen verschil. Hij is geïmponeerd door hoe ze na de zomer uit Lapland wegtrekken (“pulcherrimo spectaculo”, p.660). Even later heeft Gesner 1585 hem, als een in Polen levende variëteit van de knobbel. Ziet er dus ook geen soort in. Willughby 1676 is de eerste die ze onderscheidt. Bij zijn cygnus ferus, wilde zwaan, schrijft hij dat deze even groot is als cygnus mansuetus, de tamme, maar de bovensnavel is vanaf de ogen tot aan de neusgaten kaal en geel, voorbij de neusgaten zwart (“ab oculis ad nares usque nuda et pulchre lutea, ultra nares nigra”, p.272). “Avis haec a nemine hactenus, quod sciam, descripta est”, ‘Voor zover ik weet, is hij tot nu toe door niemand beschreven’ (p.273). Dat was dus niet helemáál waar, gezien Magnus en Gesner - en in Nederland had Van Heenvliet, in ‘Het Jacht-Bedryff’ van circa 1636, de huijler, “een andere soorte van Swaenen”, gezien de beschrijving een andere dan de knobbelzwaan, misschien de wilde zwaan (maar de kleine is niet uit te sluiten). Rond 1700 schildert Karl Wilhelm de Hamilton (1668-1754) ‘The Parliament of Birds’, waarop, tussen de vele vogels in, zowel de knobbelzwaan als de wilde zwaan ronddobbert.

Buiten Engeland wordt pas na Linnaeus duidelijk dat knobbelzwaan en wilde zwaan soorten zijn, niet meer variaties van elkaar, of de knobbelzwaan een gedomesticeerde wilde zwaan. Bij Bechstein 1791 is het duidelijk: met Duitse namen erbij onderscheidt hij een singschwan, de wilde zwaan, en een stummer schwan, mogelijk een vertaling van Engels mute swan zie bij de knobbelzwaan. Men is er uit. Hoewel het zich bij de kleine zwaan, cygnus bewickii, nog zal herhalen.

-

Enkele andere namen voor de wilde zwaan (de codes zie op Home):

(U) Duits gelbnasiger schwan, in Naumann 1842, en als zijn wetenschappelijke versie daarvan geeft hij cygnus xanthorhinus (Grieks xanthos: geel, Grieks rhis: neus, tweede naamval: rhinos). De kleine zwaan heeft ook geel op 'de neus’, maar minder.

(G) E whooper swan, ook whooper zonder meer, en ouder was hooper, alle zijn namen voor het trompetterende hoe-hoe-hoe in de vlucht. Fries gûlswan en Gronings hoelswoan zijn ook klanknamen, beide betekenen: huilzwaan. Russisch lebed’-klikoen betekent roep-zwaan, staat tegenover lebed’-sjipoen, sis-zwaan, voor de knobbelzwaan.

(V) Nederlands deen, bij Houttuyn 1763 in het meervoud ‘Deenen’, uit een plakkaat van 1700. Men benoemde er een zwaan mee die uit het Noorden kwam. Denemarken is niet érg noordelijk maar Noorwegen was er toen nog een povincie van, en deen was dan: die uit het hoge Noorden komt. Midden 19e eeuw wordt de naam opgegeven voor de wilde zwaan, maar de kleine zwaan is niet helemaal uit te sluiten: de trekwegen zullen nog onvoldoende gekend zijn geweest.