Photo credit: Jean-Jacques Boujot via VisualHunt.com / CC BY-SA

Branta bernicla (Linnaeus 1758: Anas bernicla). Eng. brent goose. Ned. rotgans.

Bernicla stond bij Turner 1544, zie “branta et bernicla” bij branta. Men dacht wel: een latinisering van Engels barnacle: eendenmossel, maar de vogelnaam was er rond 1200, barnacle is van later. Er is wel een verbánd, door een Middeleeuws verhaal, qua fabelachtigheid vergelijkbaar met de alkuon van de Grieken, zie het genus alcedo. De brandgans - maar ook de rotgans zal zijn bedoeld - zou niet uit een eí komen, zoals elke normale vogel deed, maar uit de eendenmossel (die daardoor eendenmossel héét, en Lepas anatifera: eenddragende mossel – ze hechten zich aan schepen, wrakhout, enzovoort). Men gaf beschrijvingen en tekeningen en in wetenschap en theologie speelde het onderwerp een rol. De verhalen leefden lang, ook al schreven Frederik II en Albertus in de 13e eeuw, en later Belon en Clusius, dat het hen onzin leek. Een speciale versie was dat de vogels aan bomen groeiden, wat bij Albertus ±1260 Duits boumgans gaf, bij Van Maerlant ±1266 Nederlands boemgans, in Engeland tree goose. Van Maerlant: “Bi den becke hanghen si an thout” (versregel 717). Vielen dan in het water en groeiden uit tot volwassen ganzen. Met een zwarte steel hangt ook de eendenmossel ergens aan.

De verhalen zullen uit van alles voortgekomen zijn. Door zwarte steel en blauwgrijs lichaam kan men in de eendenmossel een rotgans/brandgans in miniatuur zien. Ook wist men nog niet waar de vogels broedden (arctisch) - en men wilde een verhaal. Tot slot de katholieke kerk: aangezien de vogels dan zoiets als vis waren, kon de kerk de gelovigen vlees laten eten op momenten dat dit volgens de leer niet mocht (in gebieden waar ze níet overwinterden, deden andere watervogels daartoe dienst). Een complicatie: een vergelijkbaar tafereel staat op Grieks aardewerk. Dat paste Armstrong 1958, die aan een wijdverbreide vis-vogel-mythe denkt, maar in Griekse en Romeinse bronnen is geen spoor van de mythe, en in Middeleeuwse bronnen waren de verhalen uitsluitend Noordwest-Europees. Het tafereel kan wel passen in een reeks van ándere ontstaansverhalen: vliegen uit mest, kikkers uit modder, enzovoort. Men probeerde altijd al voor Darwin te spelen.

Bernicla is mogelijk de latinisering van Middelengels bernacle, uit Middelengels bernak, eind 12e eeuw bernekke. Van Cantimpré ±1240 had bernesca, eerder brandgans dan rotgans. Giraldus 1187 had bernaca, de oudste gelatiniseerde vorm. Lockwood 1984: bernaca was mogelijk Iers bairneach, de schaalhoorn - niet gelijk aan de eendenmossel, maar de vogelnaam zou dan op een andere manier toch uit het verhaal kunnen komen. Kitson 1998 echter veronderstelt een *berndhnecca: verbrande nek. En via *bernecca werd dit dan bernekke. Qua betekenis is bernicla dan te vergelijken met branta: ‘de verbrande’. ‘Bernekke, lijkend op bairneach’ hielp misschien wel mee bij het doen ontstáán van het eendenmossel-verhaal.

-

Enkele andere namen voor de rotgans (de codes zie Home):

(U) Frans cane au collier blanc, eend met witte halsband, Belon 1555, voor de witte zijhalsvlek. Belon is de eerste die de rotgans echt heeft: tekening en beschrijving (eerder was hij waarschijnlijk wel mee-bedoeld in branta, zie aldaar). In het Duits ontstond ringelgans, ook als een Nederlandse naam gebruikt. Los hiervan was er Oudnoords helsingr, waarin helsi: halsband.

(G) Deens tanggås, tang: zeewier, omdat ze dat eten.

(G) N rotgans, voor het diepe rròh-rròh, eerste optekening 1504, in ‘Esbatement vande Schuyfman’. Men denkt dat de naam ontleend is aan Oudnoords hroðgâs, gâs: gans, nu nog IJslands: hrota, ook de naam van een der ondersoorten. Gezien de grote aantallen overwinteraars kan de naam in Friesland of Nederland zijn ontstaan (Eigenhuis 2004), maar in de lente zijn er voor ten minste één regio op IJsland elk jaar ruim 10.000 vastgesteld (Gardarsson en Gudmunsson, over 1986-1996), en dan kan de naam ook dáár zijn onstaan. Ook: in een van manuscripten van de Edda, van rond 1270, komt al hrotgás voor.

(V) N zeegans, omdat ze overwinterend vooral langs kusten zitten, de brandgans meer in het binnenland. Belon had voor de rotgans ook nog Frans cane de mer, zee-eend, in de tekst: ‘het zijn zeevogels’. De naam werd ook algemener gebruikt, een Nederlandse vertaling van ‘Brehms Thierleben’ 1876-1879 gebruikte als indeling: Anser, het geslacht der Ganzen (de grauwe ganzen, soms ‘eigenlijke ganzen’ genoemd), en Branta, het geslacht der Zeeganzen.