Photo credit: BioDivLibrary via VisualHunt.com / CC BY

Branta leucopsis (Bechstein 1803: Anser leucopsis). Eng. barnacle goose. Ned. brandgans.

In wetenschappelijke namen komt regelmatig -opsis voor: -achtig, er uitziend als. Grieks opsis: gezicht, voorkomen. Leucopsis zou dan ‘witachtig’ kunnen betekenen (Grieks leukos: wit), hier dat de onderkant lichter is dan bij de duo-gans de rotgans. Maar Bechstein bedoelde het witte gezicht, leucopsis is bij hem ‘witgezicht’. Zijn uitleg: ‘voorhoofd, wangen en keel zijn wit’. Als Duitse naam geeft hij weißwangige gans, waarvan anser leucopsis min of meer de latinisering is.

Men zag rotgans en brandgans vaak als één soort, ook toen sommigen de twee al onderscheiden hadden. Een gevolg daarvan is dat bernicla bij de rotgans zit, maar barnacle goose bij de brandgans - en dat brent goose bij de rotgans zit, maar brandgans bij de brandgans.

Turner 1544 onderscheidt de twee nog niet, zie bij het genus. Gesner 1555 heeft alleen de brandgans, met in 1585 wel een tekening (maar bij Frederik II ±1246 staat de oudste tekening). Belon 1555 is de eerste die ze onderscheidt: onder cane de mer, zee-eend, heeft hij de rotgans - “de couleur tannee”, door de zon verbrand - onder oye nonnette, nonnetjesgans, heeft hij de brandgans, ‘nonnetje’ vanwege “l’abit des Nonnains”, ‘het habijt van de nonnen’, waarmee hij vooral het gezicht bedoelt, gezet in wit, omlijst met zwart. Willughby 1676 onderscheidt de twee ook, maar denkt eerst nog dat ze mannetje en vrouwtje van elkaar zijn.

Op grond van zijn voorgangers had Linnaeus naast de rotgans ook de brandgans kunnen hebben, twijfelde waarschijnlijk doordat hij in de boeken branta en bernicla vaak voor één soort had zien staan, teruggaand op het “branta et bernicla” van Turner, zie bij branta. In 1746 kent hij Nederlands ratgans, mogelijk kwam bernicla daardoor bij de rotgans terecht.

-

Enkele andere namen voor de brandgans (de codes zie op Home):

(G) N blaffer en keesgans, namen in regio’s waar ze in de winter zitten, respectievelijk bij Bunschoten en op Goeree - de namen vanwege het hoog, blaffend kaw, Snow 1998: “of varying pitch, sometimes rapidly repeated and resembling shrill yapping [keffen] of small dogs”. In Denemarken had men skrukgås: kletsgans, kakelgans (gås: gans). In Engeland was er voor sommige ganzensoorten gabriel’s hounds en gabble-ratchet: het geluid van trekkende ganzen, waarin men jachthonden hoorde; het kondigde onheil aan, of het zouden de rusteloos zwervende zielen van ongedoopte kinderen zijn (gabble: kakelende geluiden maken, als ganzen - ratchet een oud woord voor een jachthond). Het past allemaal goed bij blaffer en keeshond.

(?) Fries paugoes, Gronings paauwgaans. Bij wat misschíen de brandgans was, schreef Albertus ±1260, in een vreemde vergelijking: de kop is gekleurd als bij de pauw (“colorem capitis pavonis”). Maar hij heeft geen Duits pfaugans, en zo’n naam is er ook niet in Gesner 1555, of in de latere Frisch, Bechstein, Naumann. De Fries/Groningse naam lijkt op zichzelf te staan. Kan het blaffende kaw, zie hierboven, tot *pawgans hebben geleid? Maar het kan ook zijn dat men vond dat de vogels pronkten, als een pauw, de Deense naam voor de brandgans is in ieder geval bramgås, Deens bram: pronk en praal. Het gaat dan om het opvallende kleed: ‘dat ze daar mooi staan te zijn’. Men vond dat van méér vogels met een opvallend kleed: dat ze zich als een ‘dandy’ leken te gedragen.