Photo credit: ferran pestaña via Visualhunt / CC BY-SA

Tadorna tadorna (Linnaeus 1758: Anas tadorna). Eng. shelduck. Ned. bergeend.

Belon 1555 had voor de bergeend Frans tadorne. Willughby 1676, die de vogel onder Engels sheldrake en bergander kent, latiniseert tadorne tot tadorna: “Tadorna Bellonii” (p.278). Zo staat de bergeend ook heel lang bekend, als ‘de tadorne van Belon’.

Voor de betekenis is wel gedacht aan een combinatie van ta-ta (de roep van het vrouwtje) en Grieks ornis: vogel. Het zou eigenaardige woordvorming zijn. Bovendien zijn er de Provençaalse namen tardone, tardonno en tardoulo, mogelijk ouder dan tadorne. Ornis past dan niet meer en ta-ta ook minder.

Bij tard- past wel Latijn tardus: langzaam - zoals wellicht ook bij Provençaals tartana voor de buizerd, buteo buteo, een vogel die traag vliegt. De bergeend, een vorm tussen eenden en ganzen in, vliegt met langzame vleugelslagen, langzamer dan de meeste eenden (sneller wel dan de meeste ganzen). Misschien bedoelde men dan aan de Zuid-Franse kust, waar men niet vaak ganzen ziet: langzaam vliegende eend. Trage.

Frederik II ±1246 heeft twee keer een kleurtekening van de bergeend, de eerste aanwezigheid van de bergeend in de ornithologie. In de ‘Dioscorides Codex’ van begin 6e eeuw staat een minder goed herkenbare tekening, maar ook dit was waarschijnlijk de bergeend.

-

Enkele andere namen voor de bergeend (de codes zie op Home):

(U) Deens favergaas: prachtgans, een naam voor de mooie kleuren (Deens faver, fager: mooi). Gans zit in vele namen voor deze soort, ‘groter dan de wilde eend’. Frans oie-canard: eend-gans.

(U) E shelduck, in de 14e eeuw sheldedrake, waarschijnlijk van een lokaal sheld: bont, en dan is het: bonte eend. Dit sheld is mogelijk verwant met Nederlands (ver)schillen, en dan gaat het om de ‘verschillende’ kleuren van de bergeend. Kitson 1998 veronderstelt een Oudengels *scylddraca, waarin scyld 'schild' betekent, en drake woerd is, mannetjeseend (hij denkt dat sheld en shield aan elkaar verwant zijn). Deze veronderstelde naam zit dicht bij Oudnoords skjǫldungr, waarin skjǫldr zit: schild, volgens Falk 1903-1906 was de vogel “saa kaldt efter sin brogede dragt”, zo genoemd naar zijn bonte kleed (Deens broget: bont); voor de bergeend is ook Deens brogand opgetekend: bonte eend (and: eend).

(U) Oudnoords brandgâs, een naam in de Edda. Volgens Cleasby en Vigfusson 1874, 'An Icelandic-English Dictionary', was dit de bergeend (in Zweden en Noorwegen is brandgås nog steeds de bergeend). De betekenis van brand is hier ‘de verbrande’, zoals ook in het genus branta, daar voor kop en hals van rotgans en brandgans, alhier dan waarschijnlijk ook (mogelijk inclusief andere delen van het kleed). Suolahti 1909 heeft het over de “ganz gewöhnliche Erscheinung” dat men brand voor “schwarzgefärbte Tiere” gebruikte (p.45). De bergeend is natuurlijk maar zeer gedeeltelijk 'verbrand'.

(V) Duits lochente, in Naumann 1842, de bergeend nestelt vaak in een Loch onder de grond. Noors gravgaas 1599: kuilgans, grav betekent: hol, kuil, bijvoorbeeld in het zand: de bergeend graaft zelden zelf, gebruikt bestaande holen, bijvoorbeeld van konijnen. Nederlands bergeend, de vogel werd mogelijk zo genoemd omdat hij het hol vaak in duinen heeft (duinen noemde men vaak bergen), Eigenhuis 2004 echter: of het ging om het verbérgen van het nest, in zo’n hol .. Rond 1500 was er een Nederlands berch-eend, en Turner 1544 had Engels bergander. Kitson 1998 veronderstelt een Oudengels *beorgened, beorg-ened: berg-eend, de beorg “refering to sand-dunes” (p.19). Een duineend dus, of hij er nu in broedt, of er zijn nest in verbergt ..