Photo credit: f.c.franklin via VisualHunt / CC BY-SA

Aythya nyroca (Güldenstädt 1769: Anas nyroca). Eng. ferruginous duck. Ned. witoogeend.

Nyroca is een van de weinige gevallen waarbij een Slavische naam in de wetenschappelijke namen kwam. Hier Russisch nurok: duiker, duikeend, een afleiding bij Russisch nurjat’, nurnoet’: duiken. Het zit ook in Tsjechisch norek: otter, Russisch/Oekraïens nurets en noretz voor enkele van de futen, en zo meer. Ook nurok wordt algemeen gebruikt, het zit in de officiële Russische namen van witoogeend, tafeleend en krooneend (de witoogeend bjeloglazuj nurok: witoog-duikeend). Voor het algemene van ‘duiker’ zie ook bij de genera tachybaptus en mergus.

Güldenstädt benoemt met het algemene nurok een sóórt. Volgens Pallas 1811 onterecht de witoogeend. Hij legt dat niet uit, maar heeft nurok - nu zónder commentaar - ook bij het nonnetje, als het ware met de suggestie dat het dáárvoor de naam was, terwijl het waarschijnlijker lijkt dat het ook vroeger een algemene was – waarvan Güldenstädt misschien niet wist. Na 1800 wordt nyroca soms als genusnaam gebruikt, voor een aantal duikeenden. Dat paste.

Mogelijk had Aldrovandi 1603 de witoogeend al: “Anatis Fuligulae alterius descriptio” (p.227) - maar het kan ook vrouwtje kuifeend zijn geweest. Willughby 1676 heeft de vogel zéker, met een voortreffelijke beschrijving, anas fera fusca minor als naam: kleine(re) donkere wilde eend (p.281). Naast het bruine en donkere kleed noemt hij het witte oog, de donkergrijze snavel, het wit op buik, vleugels en onderstaart, zelfs de niet zo opvallende zwarte halsring.

-

Enkele andere namen voor de witoogeend (de codes zie op Home):

(U) Italiaans anatra tabaccata, eend met de kleur van tabak. N bruine duiker-eend, in Nozeman 1809. In E ferruginous duck zit Latijn ferrugineus: roestkleurig, zie bij enkele soorten.

(U) N witoogeend, gaat via via terug op Bechstein 1791: “Einige Naturforscher machen diese Ente zu einer eignen Art, geben ihr den Namen Weißauge” (p.658). Hij zegt niet wélke Naturforscher.

(V) Anas palustris, Duits sumpfente, moeraseend, namen bij Frisch 1763. In Midden-Europa zaten er toen meer dan nu. Snow 1998: “Marked long-time decline, chiefly due to drainage of wetlands” (p.243). Liefst broeden ze op poelen en moerassen waar veel oevervegetatie is.