Photo credit: BioDivLibrary via Visual Hunt / CC BY

Bucephala clangula (Linnaeus 1758: Anas clangula). Eng. goldeneye. Ned. brilduiker.

Clangula is een naam van Georg Fabricius (1516-1571), een van de correspondenten van Gesner. Coomans 1947 dacht dat clangula een verkleining was van een gelatiniseerd Grieks klange: klank, geluid, geschreeuw. Omdat het bij clangula om een latinisering van een Duitse naam ging, zonder de tussenkomst van het Grieks, speelde het Latijn ongetwijfeld de hoofdrol, Latijn clangor: klank, geschal, geschreeuw, en Latijn clangere: schreeuwen, ‘gezegd van bepaalde vogels’. Bij de Romeinse dichter Ovidius was er ‘clangunt aquilae’: de arenden schreeuwen.

Bij de brilduiker gaat het om ‘geluid’, niet om schreeuwen. Gesner 1555: Fabricius gaf hem de naam omdat hij in Meißen bij Dresden klinger heette, vanwege het geluid van de vleugels (“quam clangulam Geor. Fabricius nominavit, nam et Miseni [...] appellant ein Klinger, ab alarum clangore, quae firmissimae sunt, nec sine sono in volatu moventur”, p.116). Dat klinger betekende klinker, en clangula dan ook, of klinkertje, als Fabricius het als een verkleining bedoelde (zie bij aythya fuligula, óók van Fabricius).

In de vlucht maken de vleugels van vooral de volwassen mannetjes een ver dragend, fluitend/vibrerend geluid. Men noemt het fluiten, rinkelen, schellen, vandaar Engels whistler, Fries rinkeler, Duits schellente. Gesner heeft naast klinger Zwitserduits schellent (Schelle, Klingel, Glocke: schel, bel, klok). Hij snapt de naam al half: hij is ofwel gegeven ‘naar de vorm van de snavel’, alsof deze op een klokje lijkt, “oder weil sie in ihrem Flug mit ihren Flügeln einen Thon gleich einer Schellen macht” (Horst 1669, I-97). Dat was het dus. Een klinkende klokjeseend.

-

Enkele andere namen voor de brilduiker (de codes zie op Home):

(U) E goldeneye, een naam voor het oog, dat bij het mannetje vaak nog geler is dan bij het vrouwtje. In Engeland zijn er in de winter veel meer vrouwtjes dan mannetjes, zodat je kunt denken dat het een naam voor de vrouwtjes was, maar tellingen geven toch ongeveer 20% mannetjes.

(U) N brilduiker, een naam voor de twee witte vlekken bij de snavel, bij het mannetje. Je kunt er een lorgnet in zien, een knijpbril. Op het Noordduitse eiland Poel was er vierogen voor, omdat je in de vlekken ook extra ógen kunt zien. Houttuyn 1763 zei het naar aanleiding van Italiaans quattr’occhi: “als of hy vier Oogen had” (p.51). Buffon 1770-1783: ‘van veraf lijkt het zo’. De Spaanse naam zegt het anders: porrón osculado, gekuste eend.

(G) Officieel Zweeds knipa, volgens Hortling 1944 mogelijk te relateren aan het zeemans-werkwoord knipa: “sträva så högt i vinden som möjligt vid bidevindssegling”, zo hoog mogelijk in de wind zeilen (p.141). De brilduiker doet ook zo, met als resultaat het vleugelgedruis zie hogerop.

(G) Sami čoaðgi, duiker. Voor de Sami in het noorden van Lapland was de brilduiker belangrijk als voedselbron en het was dus een bekende soort. In dat Noorden was er ook Fins sotka, een naam die verwánt is aan čoaðgi (Sami en Fins zijn verwante talen). Tegenwoordig is sotka een algeméne naam, betekent 'eend'. In de Kalevala, het epos van de Finnen, speelde de sotka een belangrijke rol. “Tuli sotka, suora lintu”, staat er, en men zag er de brilduiker in. Als de sotka geen nestplaats vindt, brengt de ‘watermoeder’ een knie omhoog: de vogel ziet het voor een begroeid eilandje aan en gaat er broeden. Door het dagenlange broeden echter wordt de knie te warm, gaat trillen, en de eieren gaan kapot. Maar uit de stukken ontstaan: hemel en aarde.

(V) Canadees tree duck, een naam in Manitoba, omdat ze in boomholtes broeden (soms ook op andere plaatsen). De jongen, als ze zover zijn, zeilen van meters hoog naar beneden.