Photo credit: Frank.Vassen via Visual Hunt / CC BY

Tachybaptus ruficollis (Pallas 1764: Colymbus ruficollis). Eng. little grebe. Ned. dodaars.

Colymbus ruficollis betekende ‘duiker met roodbruine hals’, ruficollis samengesteld uit Latijn rufus: rossig, roodbruin, en collum: hals, in samenstellingen -collis. Zie ook branta ruficollis en caprimulgus ruficollis. In het zomerkleed zijn bij de dodaars keel en wangen roodbruin. Soms wordt het kastanjebruin genoemd - Frans castagneux is een van de oudste namen voor de soort. Bij vroegere schrijvers was deze opvallende vogel trouwens ook bekend, zie bij tachybaptus.

-

Enkele andere namen voor de dodaars (de codes zie op Home):

(U) Colymbus minor, kleine duiker, vóór Pallas 1764 een veel gebruikte naam.

(U) Frans castagneux, Belon 1555, gezien ‘kastanje’ een naam voor het bruine kleed (vooral het roodbruin aan de kop?).

(U) N dodaars, maar dit was, als dod-aars, een naam voor de dodo, voor een dotje veren aan de aars.

(U) Duits bümpelein, een van de namen (waarschijnlijk bij jagers) voor het kleine, gedrongene. Een lokaal Bumpel betekende: dik ding. In castagneux zit dit misschien als bijbetekenis.

(G) Engels dabchick, duik-kipje, een van vele namen voor het snelle duiken, zie ook bij het genus.

(G) Limburgs pomperke (Belgisch-Limburg), mogelijk voor het hoge bie-bie-bie, wat je vroeger kon doen denken aan de zwengel van een pomp die op en neer bewogen werd.

(V) Luxemburgs wâsserint, watereend, wâsserhengchen, waterhoentje. Men zag er niet zomaar een fuut in.

(X) Nederlands hagelzakje, “dankt deze vogel aan zijn stevige huid, die, afgestroopt, in den tijd der voorladers den jagers tot hagelreservoir diende” (Hermans, ‘Jacht en Taal’, 1951).