Photo credit: Frank.Vassen via Visual Hunt / CC BY

Tachybaptus ruficollis (Pallas 1764: Colymbus ruficollis). Eng. little grebe. Ned. dodaars.

Colymbus ruficollis betekende: ‘duiker met een roodbruine hals’, ruficollis samengesteld uit Latijn rufus: rossig, roodbruin, en Latijn collum: hals, in samenstellingen -collis (dezelfde naam zit bij branta ruficollis en caprimulgus ruficollis). In het zomerkleed zijn bij de dodaars keel en wangen roodbruin.

In de ornithologie gaat de kennis van de vogel terug tot 1555 (Gesner, Belon), maar de oude Grieken hadden er ook al een naam voor, zie bij tachybaptus.

-

Enkele andere namen voor de dodaars (de codes zie op Home):

(U) Deens nisse-and: kabouter-eend. Colymbus minor: kleine duiker, een veelgebruikte naam, al voordat de naam van Pallas de officiële werd. Voor het kleine en gedróngene was er in Duitsland bümpelein, van een lokaal Bumpel: dik ding. Waarschijnlijk was het een naam bij jagers.

(U) Frans castagneux, in Belon 1555. Het roodbruine aan kop en hals wordt soms kastanjebruin genoemd, en daarvoor was castagneux dan misschien een naam, maar mogelijk bedoelde men ook de héle vogel, en ook nog het bolronde daarbij.

(U) N dodaars, maar dit was, als dod-aars, een naam voor de dodo, voor een dotje veren aan de aars.

(U) Nederlands aarsvoet, de naam die de genusnaam podiceps voor de futen gaf, zie aldaar.

(G) In de diverse talen van Europa bij elkaar is er voor de dodaars een enorme reeks namen voor het duiken, in het bijzonder voor het snelle ervan, vergelijk ‘snel gezonken’ bij tachybaptus. Veel van die namen betekenen alleen maar: duiker. In Engeland was er dabchick: duik-kipje, voor veel Engelsen dé naam voor de dodaars, veel meer dan little grebe, de huidige officiële. Opvallend is lokaal Frans lièvre d’eau: waterhaas, een naam die dan ook nog eens, ver weg in Schotland, als een tegenhanger mither o’the mawkins heeft: moeder der hazen, volgens de ‘Dictionary of the Scots Language’ “from its diving capabilities and the way in which it suddenly disappears when pursued”. Misschien was het dan een naam bij jagers die hem tot hun leedwezen te snel zagen onderduiken, ‘zo snel als een haas’, waarbij ze wellicht óók aan de haas dachten door de sprong waarmee de vogels de duik vaak inzetten, zeg maar ‘een hazensprong’ (Snow 1998: “Dives by submerging head first or with distant jump and splash”).

(G) Limburgs pomperke, een naam in Belgisch-Limburg, mogelijk voor het hoge bie-bie-bie: misschien deed het denken aan de zwengel van een pomp, als men die op en neer bewoog.

(V) Luxemburgs wâsserint: watereend, wâsserhengchen: waterhoentje. Men zag er niet zomaar een fuut in.

(X) Nederlands hagelzakje, “dankt deze vogel aan zijn stevige huid, die, afgestroopt, in den tijd der voorladers den jagers tot hagelreservoir diende” (Hermans 1951, ‘Jacht en Taal’).