Photo credit: Luciano 95 via Visualhunt / CC BY-NC-SA

Mergus merganser Linnaeus 1758. Eng. goosander. Ned. grote zaagbek.

Gesner 1555 kent naast het nonnetje, mergellus albellus, de grote en de middelste zaagbek, heeft voor de grote geen onderscheidende Duitse naam en opent zijn erover stukje met: “Mergus anseri similis magnitudine figuraque [...] Hunc nos merganserem appellabimus”, het is ‘Een mergus, in grootte en gestalte gelijkend op een anser [...] Wij zullen hem merganser noemen’ (p.129). Latijn mergus betekende duiker, zie bij het genus mergus, Latijn anser betekende gans. Later vertaalt Houttuyn 1763 merganser met duiker-gans, maar Gesner bedoelde: gans-duiker, vergelijk de volgorde in Duits gänsesäger: ganszager, of in Engels goosander: ganseend (het ‘verengelste’ merganser is terechtgekomen bij de middelste zaagbek, mergus serrator). Net als de duikeenden, de Aythya’s, zijn de zaagbekken goede duikers, hoewel naar vis. Gesner kende dat duiken al.

-

Enkele andere namen voor de grote zaagbek (de codes zie op Home):

(U) Nederlands boterbuik, en in Bechstein 1791 Duits bottervogel, van een lokaal botter: boter.

(G) Zweeds skraka, opgetekend in Linnaeus 1746, tegenwoordig als skrake een onderdeel van de officiële Zweedse namen voor alle drie de zaagbekken, van oorsprong waarschijnlijk een naam voor de grote, en: een klanknabootsing (mannetje en vrouwtje roepen in de paartijd een bijna identiek pràh-pràh, het vrouwtje harder).

(G) Noord-Amerikaans fish duck, ook gegeven voor de middelste zaagbek. Noordduits lûsangel, een scheldnaam, volgens Suolahti 1909 was het er waarschijnlijk een bij vissers, die de vogel als een concurrent zagen. Als scheldwóórd, luus-angel, betekende het ‘lausiger Mensch’: vervelend mens. Angel zat in divérse scheldwoorden, misschien hadden de Angelen bij de overige Saksen een slechte naam gekregen. En anders wel: over buurvolkeren zegt men makkelijk iets negatiefs. In het Fries is het woord ook terechtgekomen, als lúsangel: rotzak. Dát riepen die vissers dus.

(G) Zweeds körfågel, ‘vogel die bijeendrijft’ (Zweeds köra: rijden, opjagen, bijeendrijven). De naam is opgetekend door Linnaeus. In grote groepen drijven ze in de herfst vissen naar ondiep water, om ze makkelijker te kunnen vangen. Linnaeus schrijft dat langs de kant dan ménsen stonden, om er óók te vangen.

(?) Fins koskelo, Komi kosiś, namen gevormd bij koski respectievelijk koś: waterval, stroomversnelling. Men vindt de vogels soms bij of in een stroomversnelling .. Of: het vissen in troepen van hierboven gaat gepaard met veel geplons en met opspetterend water en de hele scène zelf lijkt dan wel een stroomversnelling ..