Photo credit: Rainbirder via Visualhunt.com / CC BY-NC-SA

Accipiter gentilis (Linnaeus 1758: Falco gentilis). Eng. goshawk. Ned. havik.

Middeleeuws Latijn gentilis betekende: edel, vergelijk Oudfrans gentil: edel, en Engels gentleman. Het woord gaat terug op Latijn gentilis: ‘van hetzelfde geslacht’. Daarin Latijn genus: geslacht, afkomst. In het Middeleeuws Latijn veranderde de betekenis van gentilis, werd het: van voornáme afkomst.

Valkeniers kenden edele en onedele valken. De edele, die met een ‘fier voorkomen’, gedroegen zich tijdens de jacht ‘voorbeeldig’ en ‘schitterend’. Met deze soorten kon je de valkerij bedrijven. Vooral van de slechtvalk gaf men hoog op, vanwege zijn spectaculaire jachttechniek. Ook van de giervalk, maar die was moeilijker te bemachtigen. Maar ook de havik hoorde erbij (valk had een brede betekenis). Men loofde hem om zijn snelheid, wendbaarheid en kracht, vooral het vrouwtje, dat groter was. Tot de mínder edele behoorden torenvalk, buizerd, kiekendief. Ze waren ‘traag’, of deden niet wat de valkenier wilde.

Bij Van Cantimpré ±1240 staat het onderscheid, maar met nobilis en ignobilis: “Duo genera falconum sunt: unum ignobile [...] alterum nobile [...]” (p.201). Hij geeft “falco nobilis” voor de edele (p.202). Het is nog geen naam en het slaat op de hele groep, maar er staat al bijna falco gentilis. Later, bij Belon 1555, is faucon gentil mogelijk de havik (eerder had Frederik II ±1246 hem al, zie bij de sperwer, maar als naam heeft hij accipiter, zonder toevoeging). Bij Gesner 1555 zit falco gentilis als een meervoud, in het kopje “De Falconibus quos Gentiles vocant”, ‘over de valken die ze edele noemen’ (p.70). Misschien beschrijft hij er vooral de sperwer.

Willughby 1676 heeft het kopje: “Falco gentilis i. e. nobilis dictus” (p.46). Ook hier is de soort niet echt duidelijk - roofvogels onderscheiden was door al het ‘bruine’ lastig, wat nog verergerd werd doordat in de valkerij variëteiten ontstonden. Mogelijk bedoelde Willughby de havik, want hij vergelijkt met de slechtvalk en zegt dat gentilis groter is. Bij Linnaeus tot slot is ook niet erg duidelijk welke soort het is, ook niet in zijn ‘Fauna Svecica’. Misschien de havik. In ieder geval is er als havik geïnterpreteerd en zo komt gentilis hier terecht.

Op een aardige manier pást het onduidelijke, want gentilis was zelden of nooit een naam voor een soort, was vooral een aanduiding voor de kenmerken van een groep (met als ‘extra soort’ de steenarend, bij Van Cantimpré ‘nobilissimus’, de overtreffende trap van nobilis, zie verder bij steenarend en keizerarend). De slechtvalk, díe had gentilis kunnen gaan heten - slechtvalk waarschijnlijk ‘gewone valk’ (Middelnederlands slecht, gewoon): niet omdat hij veel voorkwam, wel omdat valkeniers hem als dé valk zagen. In sommige namen bij die soort zít het ook, in Nederlands edelvalk, Engels gentle falcon, Frans faucon-gentil. Alle uit de valkerij.

-

Enkele andere namen voor de havik (de codes zie op Home):

(G) Zwitserduits stächvogu: steekvogel, misschien ook voor andere soorten, in Vlaanderen bijvoorbeeld was stekvogel een naam voor diverse roofvogels (stekken: grijpen). Duits geflügelter teufel, ‘Zeitschrift für deutsche Philologie’, deel 21, 1889: “in Sachsen stösser, geflügelter teufel”, duivel misschien: kwelgeest.

(G) N duivenvalk, Houttuyn 1762, “tot onderscheiding van den” vinkenvalk, de sperwer. De havik pakt vaak duiven, kreeg er vele namen voor. Een deel ging terug op het voor diverse roofvogels gebruikte palumbarius, en dit op Aristoteles, zie falco columbarius. Frans autour des palombes, duivenhavik, autour waarschijnlijk via Gallo-Romaans auceptor uit Latijn accipiter - hiernaast Latijn astur, volgens André 1967 idem de havik, en Spaans azor, wat ‘de Azoren’ gaf (de onderlinge verhoudingen tussen al deze en ook nog andere namen zijn niet allemaal even duidelijk). Noordduits höhnerdeev, kippendief. Ook voor de kippen kreeg de havik vele namen. Misschien ging het vooral om de kippen die bij de boer over het erf liepen.

(G) E goshawk, ganzenhavik, Oudengels gôs: gans. Lockwood 1984 dacht dat het van oorsprong misschien de slechtvalk was, “a species perhaps more likely to attack Geese” (wat op zichzelf klopt). Als oudste is er rond 800 Oudhoogduits ganshabuh, de soort onduidelijk, de naam misschien uit de valkerij, die al bestond. In oude boeken over de valkerij staat dat vrouwtje havik de kraanvogel aankon, en de blauwe reiger (waarop men soms twéé 'valken' inzette, speciaal opgeleidde ‘Zwiefalken’, ‘Koppelfalken’). Bij Albertus ±1260 staan deze reiger en kraanvogel al, maar hij noemt ook: ganzen. Een echo hiervan zit wellicht in de Nederlandse valkeniersnaam ganzenhavik, opgetekend in het ‘Jagerswoordenboek’, Hermans 1947: “een havik, afgericht op het vangen van ganzen”. En buíten de valkerij: een hongerige havik waagt het misschien ook wel eens.

(?) E hawk, N havik, D habicht, mogelijk ‘grijper’, zie bij accipiter.

(?) Grieks hierax asterias, gesterde ‘havik’, een naam bij Aristoteles. Het kan de havik zijn geweest, gezien de gevlekte onderkant, en zo is de naam vaak ópgevat, maar er zijn méér roofvogels die dit hebben. Voor kleine en middelgrote roofvogels had Aristoteles hierax, een naam die ook met ‘havik’ werd vertaald. Een etymologie is niet bekend, zie ook bij accipiter (en voor asterias bij botaurus stellaris).