23294935230_b9df583bba Photo Credit: Saarblitz Flickr via Compfight cc

Buteo rufinus (Cretzschmar 1829: Falco rufinus). Eng. long-legged buzzard. Ned. arendbuizerd.

Door een misverstand heette de arendbuizerd lange tijd buteo ferox (Latijn ferox: fel, vermetel, onverschrokken). Mogelijk was de slangenarend bedoeld. Toen men zag dat het in ieder geval niet de arendbuizerd was, bleek falco rufinus van Cretzschmar de oudste naam te zijn. De vogel is nu benoemd naar het roodachtige/roestkleurige (het varieert met de ‘vorm’ die men ziet). Cretzschmar gebruikt diverse keren het Duitse woord ‘rostfarbig’ in zijn beschrijving. Noemt hem ook rothbrauner bussard. Het woord rufinus is geen Klassiek Latijn, is wel afgeleid van Latijn rufus: rossig. Jobling 2010 schrijft dat rufinus Middeleeuws Latijn is en ‘golden-red’ betekent. Het woord zit ook in netta rufina voor de krooneend.

Het is Eduard Rüppell die de vogel ontdekt, op zijn grote reis door het stroomgebied van de Nijl (1821-1827), zie ook bij sylvia rueppelli en emberiza caesia. Cretzschmar beschrijft de door Rüppell nieuw ontdekte soorten in deel II van 'Atlas zu der Reise im nördlichen Afrika von Eduard Rüppell' (1826-1828). Deel II kwam uit in 1826, de arendbuizerd staat er op p.40. Blijkbaar was er een reden om 1829 als officieel jaartal te kiezen.

-

Enkele andere namen voor de arendbuizerd (de codes zie op Home):

(U) E long-legged buzzard. In deel X van ‘The Madras Journal of Literature and Science’ beschrijft Thomas Jerdon de arendbuizerd in 1839 onder een nieuwe wetenschappelijke naam: buteo longipes, langpotige buizerd (hij weet niet dat hij al beschreven is). Ik noem hem zo, schrijft hij op p.75, "from its long tarsi [tarsus: loopbeen], which evidently ally it to the Harriers”, de kiekendieven (wel ziet hij er een buizerd in). De Engelse naam geeft hij ook: long legged buzzard. Veldgidsen geven vooral de lange vleugels.

(V) Russisch koergannik, ‘die op de heuvel woont’, koergan is een woord uit het Tataars en betekent heuvel, grafheuvel, is als Koergan een stad in zuidwestelijk Siberië. De arendbuizerd nestelt vaak op rotsrichels, maar voor de Russen hoorde hij bij de ‘Kurgantschiken’, “da er ihnen zumeist auf den Churgans der Steppe sitzend zu Gesichte kommt”. Dat gold ook voor de keizerarend, de mogil’nik (mogila: graf, mogil’sjtsjik: doodgraver), maar volgens anderen zagen Russische naturalisten deze vooral in bómen bij die begraafplaatsen. Sommige Russen willen voor de keizerarend een leukere naam.

(X) N arendbuizerd, vrij zeker een vertaling van Duits adlerbussard. In 1853 noemt Naumann de arendbuizerd buteaetos (leucurus), waarin buteo de buizerd zit, en aetos de arend. Van Sarepta aan de Wolga was van Constantin Glitsch een bericht gekomen waarin de vogel om diverse redenen arendachtig werd genoemd. De conclusie was: “Sein ganzes Wesen spricht entschieden den Adler aus” (‘Naumannia’ 1853 p.302). Gezien de beschrijving was het niet vulpinus, de daar voorkomende ondersoort van de buizerd. In Nederland werd arendbuizerd overigens ook voor de slangenarend gebruikt, met een vergelijkbare motivatie, zie bij het genus circaetus.