Photo credit: Edwyn Anderton via Visual Hunt / CC BY-NC-SA

Circus aeruginosus (Linnaeus 1758: Falco aeruginosus). Eng. marsh harrier. Ned. bruine kiekendief.

We hebben hier een ‘verroeste valk’. Latijn aeruginosus: verroest, Latijn aerugo: koperroest. Het gaat natuurlijk om roestkleurig. Aeruginosus werd in de ornithologie gebruikt voor soorten met roodbruin of roestbruin in het kleed, waarvoor ook ferrugineus werd gebruikt, idem roestkleurig, maar uit Latijn ferrum: ijzer.

Bij de bruine kiekendief is het van Aldrovandi 1599. Hij noemt hem milvus aeruginosus - milvus zie bij de wouwen. ‘Hij heeft een witte kruin’, “Corpus universum colore ferrugineo obscuro”, ‘het hele lichaam is van een donker roestbruin’ (p.396). Willughby en Ray nemen de naam over. Houttuyn 1762: “Zyn Lyf is, zo Ray getuigt, zo van boven als van onderen, Yzer-roest- of Arendskleurig, uitgenomen de top van ‘t Hoofd die uit den rossen wit is” (p.175).

De vogel is niet naar het mannetje benoemd. Aldrovandi beschrijft een vrouwtje of een juveniel: het mannetje heeft ook grijs in het kleed en heeft de héle kop ‘wit’. Linnaeus schrijft vervolgens dat kruin, keel en ‘oksels’ geel zijn. Alleen bij het vrouwtje heb je dit.

Bij Turner 1544 staat hij waarschijnlijk voor het eerst. Als balbushard, nu bald buzzard: kale buizerd, de naam later ook voor de visarend gebruikt. Maar ook balbushard was ‘zij’, het vrouwtje.

-

Enkele andere namen voor de bruine kiekendief (de codes zie op Home):

(U) E grey hawk voor het mannetje, brown hawk voor het vrouwtje - waarvoor ook Duits schwartz-brauner fisch-geyer mit gelben kopf bij Frisch 1733-1763 (de vis een foutje). Soms gebruikte men een omschrijving als naam, zeker wanneer een soort nog geen vaste had. Die van Frisch is niet eens de langste.

(G) Frans harpaye, Buffon 1770-1783, waarschijnlijk van Oudfrans harper: grijpen. Frans fau-perdrieux, Belon 1555, faucon à perdrix, patrijzenvalk - in de Franse valkerij zei men: ‘het is geen slechtvalk, maar je kunt ermee jagen op kwartels, patrijzen en konijnen’. Engels coot-teaser, in Kent - de bruine kiekendief pakt vooral kleine vogels, maar Turner wist ook: ‘jaagt op meerkoeten en eenden’, bij de eenden vooral op de kleine, de talingen.

(V) E marsh harrier, een boekennaam, de volksnaam was moor buzzard - marsh: moeras, moor: heide, veen (de Yorkshire Moors), maar vroeger kon moor ook moeras betekenen (Lockwood 1984) - bij veen past de blauwe kiekendief, die onder andere op ‘upland moors’ broedt. De bruine heeft een sterke voorkeur voor water met riet. Nederlands rietwouw, in 1660 poelwouwe en bij Gesner 1555 maßwy, maar van de twee laatste is niet helemaal zeker dat het de bruine kiekendief was. Als enige van de roofvogels maakt de bruine zijn nest in het riet.