8113947400_a1ba941dd2 Photo Credit: jlvalinha Flickr via Compfight cc

Circaetus gallicus (Gmelin 1788: Falco gallicus). Eng. short-toed eagle. Ned. slangenarend.

Cabard 1995 leidt gallicus af van Latijn gallus: haan. Dat zou een klanknaam zijn en de slangenarend is in het broedseizoen luidruchtig, maar Gmelin zou dan bijvoorbeeld falco clamatorius gegeven hebben: valk die roept, schreeuwt, vergelijk het genus clamator. Gmelin bedoelde: Franse valk. Latijn Gallia betekende Frankrijk, hoewel niet precies met de grenzen van nu. Gmelin schrijft: “Habitat in Gallia, rarior in reliqua Europa”, ‘Leeft in Frankrijk, weinig in overig Europa’ (p.259).

Net zoals Vieillot circaetus baseerde op Buffon 1770-1783, zo baseerde Gmelin gallicus op Buffon, die de slangenarend als eerste had (vrij zeker niet Gesner 1555, zoals Springer 2009 stelt). Buffon 1796-1799: “Il est très commun en France”, ‘Hij is zeer algemeen in Frankrijk’ (I-68), “assez rare par-tout ailleurs”, ‘overal elders vrij zeldzaam’ (I-69). Buffon baseert dit laatste op het feit dat hij de vogel bij geen van de schrijvers uit Italië, Engeland, Duitsland en Scandinavië vinden kon. Daar kwam hij inderdaad ook weinig of helemaal niet voor. En over andere gebieden had Buffon geen berichten.

Bij een geografische aanduiding ging men in die dagen uit van wat men toevallig wist, of bij anderen las. Men had nog niet de kennis en de verspreidingskaartjes van tegenwoordig.

-

Enkele andere namen voor de slangenarend (de codes zie op Home):

(U) Frans circaète jean-le-blanc, de officiële Franse naam, gebaseerd op jean-le-blanc, Jan de Wit, in Buffon 1770-1783. De slangenarend is onderop vrij wit, en Buffon had vrij zeker een juveniel, die onderop nóg witter is, maar hij ontléént de naam aan Belon 1555, die ian le blanc voor het mannetje van de blauwe kiekendief had, zie bij circus cyaneus. Buffon begrijpt een en ander niet goed en verhuist de naam (maar bij de slangenarend past hij dus ook). Hier hoort ook Duits weißer lanus, waarbij lanus geen verschrijving is van lanius, zie dat genus, maar een vervorming van wat bij Naumann 1820 stond: “weißer Hanns (Jean le blanc)” (p.236). Hans de Wit.

(U) Falco leucopsis, in Bechstein 1802, die er ‘witgezicht’ mee bedoelt, vergelijk branta leucopsis van dezelfde Bechstein. Bij de slangenarend, der adler mit weißen augenkreisen, ging het om ‘de witte en wollige oogkring’ (p.460).

(U) Duits kurzzehiger adler: korttenige arend, en de latinisering ervan: aquila brachydactyla. Beide waren namen van Meyer 1810, en zo ontstond Engels short-toed eagle, tegenwoordig gebruikt men vaak short-toed snake eagle. In 1809 schreef Meyer: “Den namen kurzzehiger Adler legte mein Freund Dr. Wolf mit allem Rechte ihm bei, weil er unter allen Adlern wohl im Verhältnisse zu seiner Grösse die kürzesten Zehen hat” (‘Annalen der Wetterauischen Gesellschaft’, p.46). Korte tenen geven meer grip op een slang.

(G) N slangenarend, waarschijnlijk uit Duits natternadler, Natter is een ander woord voor Schlange, de Duitse naam stond in Naumann 1820: “Seine Lieblingsspeise scheinen Schlangen zu seyn” (p.240), ‘scheinen’ omdat men nog niet genoeg wist. Ook schrijft hij: ‘in Duitsland is hij sinds kort niet meer zo zeldzaam’, waarna hij regio’s noemt. In Bulgarije heet hij orel zmijar (zmija: slang, orel betekent arend, is gelijk aan Nederlands aar en arend). De Russen hebben zmejejad: slangenpakker.

(V) Catalaans àguila marcenca: maartse arend, ‘lente-arend’. De slangenarend trekt.