Photo credit: David Illig via VisualHunt.com / CC BY-NC

Aquila chrysaetos (Linnaeus 1758: Falco chrysaetos). Eng. golden eagle. Ned. steenarend.

De oude Grieken kenden een grote arend die ze chrusaetos noemden, de naam is opgetekend door Claudius Aelianus, begin derde eeuw na Christus. Het is een samenstelling van Grieks chrusos: goud, en Grieks aetos: arend (zie bij aquila). Bij ‘grote goudarend’ passen steenarend en lammergier: de golden eagle heeft ‘goud’ aan de kop, de goldgyr, een naam bij Gesner 1555 voor de lammergier, heeft het op nog meer plaatsen. Maar er is ook dat Aelianus uit een verloren gegaan werk van Aristoteles haalde dat betreffende vogel hazen, hertenjongen, tamme ganzen en kraanvogels pakte. Dat wijst op de steenarend. Bovendien: in huidig Griekenland heet hij chrusaetos, wat op continuïteit kan wijzen.

Bij het begin van de moderne ornithologie, na 1500, probeert men te bepalen welke soorten de Grieken met hun namen bedoelden. Dat lukte vaak niet, maar gezien de beperkte kennis die men had, en de gebrekkige óvergeleverde kennis, opmerkelijk vaak wél. Bij de roofvogels was er wel de complicatie dat een deel ervan zo op elkaar lijkt. Je ziet de schrijvers worstelen. En de soorten zijn in hun teksten niet zomaar te bepalen. Toch is vast te stellen dat in 1555 Gesner én Belon de steenarend vrij zeker hebben (het is niet de juveniele zeearend, die erop lijkt). Ook denken ze dat het de chrysaetos van Aelianus is en zo komt de naam bij Linnaeus terecht. Gesner kende de steenarend al door Albertus ±1260, maar waarschijnlijk hielpen naast chrysaetos zelf ook die hazen en hertenjongen, enzovoort: Gesner en Belon weten door de valkerij van de kracht van de steenarend, niet voor niets noemen ze hem dé arend. Een rol speelde óók dat Aristoteles de steenarend (aetos) gnesios had genoemd: de echte, de zuivere (Gesner en Belon dáchten althans dat dit bij Aristoteles de steenarend was; Arnott 2007 denkt dat het de lammergier was). Voor het thema van dé vogel, dé arend, zie ook bij aquila.

Maar het geworstel is nog niet over: er is ook nog de juveniel, die een witte staartbasis heeft. Ray 1678: “Our Country-men call this bird simply and absolutely the Eagle” (p.59); ‘en ik denk dat hetzelfde geldt voor de chrysaetos’ (bij Ray min of meer een andere soort); ‘maar die met de witte ring lijkt ook op de zééarend: misschien is het een en dezelfde vogel’.

Lang heeft men als het ware twéé steenarenden: de twee die we tegenwoordig de adult en de juveniel noemen. Linnaeus 1758 heeft het daarbij nog sterker dan Ray, naast falco chrysaetos heeft hij als een aparte soort falco fulvus, “cauda fascia alba”, ‘de staart met witte band’ (p.88); voor fulvus zie bij gyps fulvus. Pas in de 19e eeuw wordt het langzaamaan één arend.

-

Enkele andere namen voor de steenarend (de codes zie op Home):

(U) Frans le grand aigle, in Buffon 1770, ‘de grootste van onze arenden’, schrijft hij.

(G) Spaans águila chotera, waarin een geitje zit, Spaans choto: het jong van de berggeit. In Duitsland was er voor de steenarend hasenadler, waarbij Bechstein 1791 uitlegde dat hij zo heette ‘omdat hij het liefst hazen pakt’. Bechstein heeft het ook over steenarenden in Azië: “Die Kirgisen richten sie zur Jagd auf Wölfe, Füchse und Gazellen ab” (p.211). Die beroemde jacht werd bürkütchü genoemd, waarin de steenarend zélf zit: Kirgizisch bürküt, waaruit officieel Russisch berkoet voortkwam (de etymologie ervan is onduidelijk). In Turkije is het burgut, de talen zijn verwant. De Turkmenen hadden een Burgut-baba, die met een zweep de wolken bewerkte, zodat er regen kwam (baba is vader). In de Noord-Europese Edda ging het om de wind: ‘de wind is sterk, maar je zíet hem niet, hoe ontstaat hij toch? door de arend, als hij opvliegt’. Een vogel dus die naast grote prooien ook de elementen aankon.

(V) N steenarend, ongetwijfeld uit Duits steinadler: in Nederland was de steenarend te zeldzaam om een naam te krijgen, in Duitsland kende men hem van de bergen. In Finland is het maakotka, landarend (maa is land): hij broedt er vooral bij laaglandbossen (er zijn weinig bergen). De naam staat tegenover merikotka: zeearend, vergelijk bij falco rusticolus het Zweedse duo landtörn en hafsörn. Van kotka, arend, is geen etymologie bekend.

(X) Nederlands gemeene arend, in Houttuyn 1762 (tegenwoordig zouden we gewone arend zeggen). Gemeen betekent hier dat de steenarend dé arend was: “by de oude Autheuren” arend, “zonder eenig byvoegsel” (p.133). Voor dit thema zie ook bij aquila, en vergelijk slechtvalk bij falco peregrinus: een vergelijkbare motivatie daar. In de valkerij had men het bij de steenarend over ‘moed’, ‘machtige vlucht’, ‘koninklijk voorkomen’. Het leidde er ook toe dat hij vaak gekozen werd als ‘wapendier’, als een symbool. En vogelboeken openden vaak met de steenarend.